Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 3 juli 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:4244
Feiten
Werknemer is statutair bestuurder van werkgever en tussen partijen bestaat daarnaast een arbeidsovereenkomst. Werknemer is op 29 december 2025 arbeidsongeschikt geworden. Vervolgens heeft werkgever het statutair bestuurderschap van werknemer beëindigd en een verzoekschrift ingediend. Werknemer stelt dat de kantonrechter niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, omdat het volgens hem gaat om een geschil tussen een vennootschap en een statutair bestuurder en daarom de rechtbank van de statutaire vestigingsplaats bevoegd is op grond van artikel 2:241 BW.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. In beginsel geldt dat voor geschillen tussen een vennootschap en haar statutair bestuurder de rechtbank van de statutaire zetel van de vennootschap bevoegd is. Op dit uitgangspunt bestaat echter een uitzondering wanneer sprake is van een wettelijk opzegverbod, zoals bij ziekte. In dat geval eindigt het vennootschapsrechtelijke deel van de verhouding door het ontslag als bestuurder, maar blijft de arbeidsovereenkomst bestaan omdat deze niet door het opzegverbod kan worden beëindigd. In deze zaak heeft werknemer zich ziekgemeld vóórdat het ontslagbesluit als statutair bestuurder werd genomen en vóórdat de vergadering waarin dit besluit werd genomen was aangekondigd. Hierdoor was sprake van een opzegverbod wegens ziekte. Volgens de kantonrechter kon de arbeidsovereenkomst daarom niet automatisch eindigen door het ontslag als statutair bestuurder. De arbeidsrechtelijke verhouding bleef bestaan en het geschil ziet daarmee niet langer op de overeenkomst tussen de vennootschap en de bestuurder, maar op een zelfstandige arbeidsovereenkomst. Omdat sprake is van een voortgezette arbeidsovereenkomst waarop het arbeidsrecht van toepassing is, is de kantonrechter bevoegd om het verzoek te behandelen. De relatieve bevoegdheid ligt bij de kantonrechter van de rechtbank van de woonplaats van werknemer. Het incidentele verzoek van werknemer om de zaak door te verwijzen wordt daarom afgewezen. De beslissing over de proceskosten wordt aangehouden totdat in de hoofdzaak is beslist.
