Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 15 juni 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:8548
Feiten
Werkneemster is per 4 augustus 2025 in dienst getreden bij Dierenziekenhuis Noord-Holland B.V. (hierna: DZNH) in de functie van paraveterinair dierenfysiotherapeute, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een duur van één jaar. Op 17 december 2025 heeft DZNH de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen. DZNH heeft geen ontslagvergunning bij het UWV aangevraagd. Werkneemster verzoekt toekenning van de gefixeerde schadevergoeding en subsidiair een billijke vergoeding. Ook verzoek werkneemster, onder meer, een transitievergoeding en openstaande vakantiedagen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Omdat werkneemster berust in de opzegging is de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2026 geëindigd. Na het eindigen van het dienstverband heeft Dierenziekenhuis op 7 mei 2026 nog een betaling aan werkneemster verricht. Niet weersproken is dat daarmee in ieder geval de vakantietoeslag en de kosten van het NVFD-lidmaatschap volledig zijn betaald. Ook heeft Dierenziekenhuis aangetoond en met stukken onderbouwd dat zij de pensioenpremies inmiddels heeft afgedragen, hetgeen door werkneemster evenmin is weersproken. DZNH heeft bij de opzegging rekening gehouden met de opzegtermijn. De kantonrechter kent een billijke vergoeding van € 12.531 toe, conform het verzochte bedrag. Werkneemster stelt dat zij bij uitblijven van de opzegging nog zes maanden salaris zou hebben ontvangen conform de duur van het contract. Het standpunt van DZNH dat het UWV, wanneer een vergunning was aangevraagd, deze zou hebben afgegeven, wordt afgewezen. Dierenziekenhuis heeft namelijk onvoldoende aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de financiële situatie dusdanig slecht was dat het nodig was meerdere personeelsleden te ontslaan. Dierenziekenhuis heeft alleen een e-mail aan haar huisbank overgelegd waarin staat welke maatregelen zij zal nemen om de liquiditeit te verbeteren. Die enkele e-mail is echter onvoldoende om vast te kunnen stellen dat er sprake was van dusdanig ernstige bedrijfseconomische omstandigheden dat die maakten dat de arbeidsovereenkomst met werkneemster moest worden opgezegd. De kantonrechter acht het daarom aannemelijk dat de arbeidsovereenkomst indien het ernstig verwijtbaar handelen van Dierenziekenhuis wordt weggedacht nog tot 4 augustus 2026 had geduurd. Werkneemster ontvangt geen WW-uitkering en teert in op haar oudedagsreserves. De kantonrechter kan niet inschatten in hoeverre werkneemster op korte termijn realistische alternatieven heeft. Gelet op de leeftijd van werknemer en de ernst van het verwijtbaar handelen van DZNH is het gerechtvaardigd de billijke vergoeding hoger vast te stellen dan alleen de inkomensschade. Werkneemster zag het vervallen van haar arbeidsplaats niet aankomen. Hierbij geldt ook dat de billijke vergoeding een signaalfunctie heeft. De vordering ten aanzien van openstaande vakantiedagen wordt toegewezen. De door werkneemster gevorderde kosten voor een cursus echografie worden afgewezen. Niet aannemelijk is dat zij de cursus op verzoek van DZNH heeft gevolgd of dat de cursus noodzakelijk was voor haar werkzaamheden. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 25%, waarbij meeweegt dat het dienstverband inmiddels is geëindigd waardoor een prikkel tot tijdige betaling niet meer aan de orde is. Werkgever wordt in de proceskosten veroordeeld.
