Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 1 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3586
Feiten
Werkneemster heeft op 3 oktober 2024 aan werkgeefster een lening van € 20.000 verstrekt, die uiterlijk op 29 november 2024 in wekelijkse termijnen moest zijn terugbetaald. Werkgeefster heeft daarop niets afgelost. Werkneemster is vervolgens op 4 november 2024 bij werkgeefster in dienst getreden tegen een salaris van € 4.333 bruto per maand. Werkgeefster heeft het loon over de maanden juni tot en met september 2025 en de vakantiebijslag niet volledig betaald. Partijen hebben het dienstverband per 1 oktober 2025 met wederzijds goedvinden beëindigd en in een vaststellingsovereenkomst afgesproken dat werkgeefster het achterstallige loon en de vakantiebijslag alsnog zou voldoen. Nadat werkgeefster deze afspraak niet nakwam, heeft werkneemster conservatoir beslag gelegd. Werkneemster vordert in deze procedure betaling van het achterstallige loon, de vakantiebijslag, de wettelijke verhoging en rente, alsmede terugbetaling van de lening met rente en contractuele boete. Werkgeefster erkent beide betalingsverplichtingen, maar stelt dat de lening afzonderlijk behandeld moet worden en verzoekt daarnaast om een betalingsregeling.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkgeefster heeft erkend dat het achterstallige loon en de vakantiebijslag verschuldigd zijn. Deze vorderingen worden daarom, inclusief de wettelijke verhoging en wettelijke rente, toegewezen. Het beroep van werkgeefster op liquiditeitsproblemen slaagt niet. Ook de vordering tot terugbetaling van de geldlening wordt toegewezen. De kantonrechter verwerpt het standpunt dat de lening in een afzonderlijke procedure moet worden behandeld. Omdat de lening nauw samenhangt met de arbeidsrelatie en de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van de arbeidsrechtelijke vorderingen, kan ook over de geldlening worden geoordeeld. De gevorderde contractuele rente en boete worden eveneens toegewezen, nu deze niet zijn betwist. Het verzoek van werkgeefster om een betalingsregeling wordt afgewezen, omdat een dergelijke regeling niet door de rechter kan worden opgelegd zonder instemming van beide partijen.
