Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 30 juni 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:4088
Uitzendkracht vordert looncorrectie wegens te lage inschaling in loongroep van cao. Anders dan werkgeefster stelt, heeft uitzendkracht daarover wel tijdig geklaagd. Loon dat hij had moeten krijgen kan hij met terugwerkende kracht vorderen.

Feiten

Werkgeefster houdt zich onder andere bezig met het uitzenden van personeel. Partijen hebben met elkaar een arbeidsovereenkomst gesloten ingaande op 30 maart 2020. In de arbeidsovereenkomst staat dat het een uitzendovereenkomst betreft en wordt verwezen naar de ABU cao. Werkgeefster heeft werknemer vervolgens uitgeleend aan inlener als schilder met een bruto-uurloon van € 16,59. Werknemer is per 23 oktober 2020 uit dienst getreden bij werkgeefster. Op 27 april 2021 is werknemer opnieuw bij werkgeefster in dienst getreden en weer uitgeleend aan inlener als schilder tegen een bruto-uurloon van € 16,59. De arbeidsovereenkomst is daarna meerdere keren verlengd.

Werknemer heeft gedurende zijn dienstverband uitzendbevestigingen ontvangen waarin de voorwaarden van de uitzending aan inlener waren opgenomen. Het bruto-uurloon kwam overeen met loongroep 2 van de cao Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf (SAVG), behorend bij de functie schilder 1. De cao SAVG kent daarnaast de functie schilder 2 met loongroep 4. Begin 2025 heeft werknemer bij werkgeefster navraag gedaan over zijn inschaling. Werkgeefster heeft hem toen meegedeeld dat hij was ingeschaald in loongroep 2 trede midden van de cao SAVG. Werknemer heeft zijn arbeidsovereenkomst op 9 mei 2025 opgezegd. Werknemer vordert dat werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van € 31.893,60 bruto aan loon, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging van 50%, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Volgens werknemer was hij vanaf zijn indiensttreding in 2020 onjuist ingedeeld. Gelet op zijn diploma schilder mbo-niveau 2, zijn werkervaring en de werkzaamheden die hij bij inlener verrichtte, had hij volgens de cao SAVG moeten worden aangemerkt als schilder 2 en ingedeeld moeten worden in loongroep 4 (trede midden) in plaats van loongroep 2 (trede midden). Daardoor heeft hij jarenlang te weinig loon ontvangen en moet werkgeefster het verschil alsnog nabetalen.

Werkgeefster betwist dat werknemer recht had op indeling in loongroep 4. Zij voert aan dat werknemer zelf bij zijn sollicitatie het gewenste loon heeft aangegeven, dat hij niet beschikte over de kwaliteiten van een schilder 2, dat de berekening van werknemer onjuist is, dat niet aan de klachtplicht is voldaan en dat een inlenersbeloning volgens de cao ABU niet met terugwerkende kracht kan worden aangepast.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat voor de inschaling naar de cao SAVG moet worden gekeken en dat werknemer voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij indiensttreding had moeten worden ingeschaald als schilder 2 in loongroep 4. Van belang is dat werknemer beschikte over een mbo-diploma schilder niveau 2 en dat uit zijn cv bleek dat hij vanaf 2009 werkzaam was geweest bij meerdere schildersbedrijven. Werkgeefster was van dat diploma op de hoogte of had daarvan op de hoogte kunnen zijn. De door werkgeefster aangevoerde omstandigheden, zoals dat werknemer meestal werd aangestuurd en niet snel genoeg werkte, zijn onvoldoende om te concluderen dat hij niet als schilder 2 kon worden aangemerkt. Er zijn bovendien geen functioneringsgesprekken gevoerd waaruit het tegendeel blijkt.

Dat werknemer mogelijk zelf een loon van € 16,59 heeft genoemd, acht de kantonrechter niet van belang, omdat het de taak van werkgeefster is om werknemers juist in te schalen en op de cao te wijzen. De gevorderde loonberekening van werknemer wordt niet gevolgd. Werkgeefster heeft een aangepaste berekening gemaakt waarin rekening is gehouden met de periode waarin werknemer niet in dienst was, de juiste doorgroei binnen loongroep 4, onbetaald verlof en het feit dat werknemer slechts tot week 19 van 2025 heeft gewerkt. Op basis daarvan stelt de kantonrechter het na te betalen loon vast op € 7.523,61 bruto.

Het beroep van werkgeefster op de klachtplicht wordt verworpen, omdat werknemer pas begin 2025 ontdekte dat hij mogelijk te laag was ingeschaald en daarna binnen bekwame tijd heeft geprotesteerd. Ook het beroep op de cao ABU slaagt niet, omdat werkgeefster niet aantoonbaar heeft gezorgd voor een correcte vaststelling van de inlenersbeloning. De wettelijke rente over het te weinig betaalde loon wordt toegewezen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot nihil, omdat sprake was van een geschil over de inschaling en niet van betalingsonwil. Daarnaast wordt € 908,93 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.