Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant (Locatie Eindhoven), 9 juli 2026
ECLI:NL:RBOBR:2026:4871
Feiten
Werkneemster is sinds november 2019 bij werkgeefster in dienst en verricht naast werkzaamheden in de bediening ook HR-werkzaamheden, waaronder de urenverwerking. Nadat werkgeefster haar confronteert met vermeende onregelmatigheden in de urenregistratie, deelt werkneemster in een WhatsApp-groep mee dat zij ontslag heeft genomen en bevestigt zij dit een dag later per e-mail. Enkele dagen later stelt zij dat zij haar ontslag onder druk heeft genomen, nadat zij volgens haar de keuze had gekregen tussen zelf ontslag nemen of ontslag op staande voet wegens een beschuldiging van fraude. Zij beroept zich op bedreiging en misbruik van omstandigheden, verzoekt een verklaring voor recht dat haar ontslag nietig is wegens een wilsgebrek en vordert onder meer achterstallig loon en de wettelijke verhoging. Werkgeefster betwist dat er sprake is geweest van een ultimatum of wilsgebreken en voert aan dat werkneemster zelf heeft voorgesteld ontslag te nemen, dit vervolgens ondubbelzinnig via WhatsApp en per e-mail heeft bevestigd en een eventuele vordering tot vernietiging bovendien te laat is ingesteld.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De tijdens de mondelinge behandeling mondeling ingediende eiswijziging, strekkende tot vernietiging van de ontslagname, wordt wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing gelaten. De primaire vordering tot een verklaring voor recht dat de ontslagname nietig is, wordt afgewezen, omdat een rechtshandeling die onder invloed van bedreiging of misbruik van omstandigheden tot stand komt vernietigbaar en niet nietig is. Ook indien een beroep op vernietiging wegens bedreiging of misbruik van omstandigheden zou voorliggen, heeft werkneemster onvoldoende onderbouwd dat werkgeefster haar een ultimatum heeft gesteld om zelf ontslag te nemen of anders op staande voet te worden ontslagen. De door werkneemster en haar partner overgelegde verklaringen zijn, gelet op de gemotiveerde betwisting door werkgeefster, onvoldoende om dit vast te stellen. Daarmee is niet komen vast te staan dat er sprake is van bedreiging of misbruik van omstandigheden. Gelet op de onvoldoende onderbouwing ziet de kantonrechter geen aanleiding werkneemster tot nadere bewijslevering toe te laten. De vorderingen tot loon en wettelijke verhoging worden eveneens afgewezen, omdat daarvoor eerst zou moeten worden vastgesteld dat de ontslagname rechtsgeldig is vernietigd en de arbeidsovereenkomst is blijven bestaan. Het beroep van werkgeefster op de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 BW slaagt niet, omdat bij een beroep op bedreiging of misbruik van omstandigheden de verjaringstermijn van artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder b BW geldt. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
