Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 5 juni 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7441
Werkgeefster verwerkt achterstallig loon uit 2023 volledig in de loonadministratie van 2024, met nadelige fiscale gevolgen voor werkneemster. De kantonrechter past de Haviltex-maatstaf toe en oordeelt dat uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat het loon moest worden toegerekend aan de periode waarop het betrekking heeft.

Feiten

Werkneemster en werkgeefster sluiten tijdens een kort geding een vaststellingsovereenkomst over de doorbetaling van achterstallig loon tijdens ziekte vanaf april 2023. Werkgeefster betaalt het achterstallige loon in 2024 uit en verwerkt dit volledig in de loonadministratie en loonaangiften over dat jaar. Volgens werkneemster leidt dit tot nadelige fiscale gevolgen, waaronder het moeten terugbetalen van toeslagen en een onjuiste belastingheffing. Zij verzoekt de kantonrechter werkgeefster te veroordelen tot het verstrekken van correcte loonstroken en jaaropgaven, het corrigeren van de loonaangiften over 2023 en 2024, een verklaring voor recht dat werkgeefster is tekortgeschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst dan wel onrechtmatig heeft gehandeld, en vergoeding van de daardoor geleden schade. Werkgeefster voert aan dat werkneemster te laat heeft geklaagd, dat het loon fiscaal terecht aan 2024 is toegerekend en dat correctie van de loonaangiften in redelijkheid niet van haar kan worden verlangd.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werkneemster heeft tijdig geklaagd, omdat zij pas bij het doen van haar aangifte inkomstenbelasting over 2024 kon constateren dat het volledige achterstallige loon aan dat jaar was toegerekend. De vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Daaruit volgt dat werkgeefster niet alleen het achterstallige loon alsnog moest betalen, maar ook correcte maandelijkse loonstroken moest verstrekken en het loon administratief moest verwerken in de periode waarop het betrekking had. Daarbij weegt mee dat het loon over april tot en met december 2023 al in dat jaar verschuldigd en inbaar was, hetgeen wordt ondersteund door de afspraak dat over dit achterstallige loon een wettelijke verhoging verschuldigd is. Werkneemster mocht daarom verwachten dat het loon over april tot en met december 2023 aan 2023 zou worden toegerekend en het loon vanaf januari 2024 aan 2024. Werkgeefster wordt veroordeeld tot het verstrekken van correcte maandelijkse loonstroken en jaaropgaven en tot het corrigeren van de loonaangiften bij de Belastingdienst en het UWV, telkens op straffe van een dwangsom. Het beroep van werkgeefster op de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom de correcties niet van haar kunnen worden verlangd. De gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen, omdat na correctie van de loonaangiften onvoldoende is onderbouwd dat nog schade resteert. Ook de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.