Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 17 juni 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:5820
Feiten
Werkneemster is met ingang van 23 september 2024 bij werkgeefster in dienst getreden voor de duur van twaalf maanden. De laatste arbeidsovereenkomst is aangegaan met ingang van 23 september 2025 eveneens voor de duur van twaalf maanden. Zij vervult de functie van beroepsmatige verkeersregelaar voor minimaal 24 uur per week, tegen een uurloon van € 15 bruto, vermeerderd met 8% vakantiegeld. Werkneemster heeft zich ziekgemeld wegens psychische klachten (burn-out/depressie). Op advies van de bedrijfsarts vinden er contactmomenten plaats. Eind januari 2026 hebben partijen in afwijking van het advies van de bedrijfsarts afgesproken dat werkneemster weer gaat starten met kortere diensten. Kort na deze afspraak meldt werkneemster zich na een bezoek aan de huisarts opnieuw ziek, waarop werkgeefster reageert met een tijdelijk loonstop. Werkgeefster stelt dat werkneemster weigert passende werkzaamheden uit te voeren. Medio maart komt het UWV met een deskundigenoordeel met als conclusie dat werkneemster per geschildatum niet arbeidsgeschikt is voor haar bedongen werkzaamheden. In mei 2026 stelt de bedrijfsarts dat er geen verandering is opgetreden in de beperkingen en dat medische informatie wordt opgevraagd bij de behandelaar. Werkgeefster heeft een onderzoeksbureau (bedrijfsrecherche) ingeschakeld, omdat zij vermoedens had dat werkneemster elders werkzaamheden verrichtte. Werkneemster vordert (achterstallig) salaris.
Oordeel
De kantonrechter beoordeelt de loonstop over een aantal periodes en komt tot het oordeel dat de loonstop ten onrechte aan werkneemster is opgelegd. De bedrijfsarts had geadviseerd om alleen laagdrempelig arbeidstherapeutisch werk te verrichten en niet direct de eigen functie. Nadat werkneemster zich opnieuw ziek meldde, had werkgeefster eerst opnieuw een bedrijfsarts moeten inschakelen in plaats van zelf te beoordelen dat zij kon werken. Werkgeefster bood geen voldoende concreet uitgewerkt passend werk aan. Een second opinion-bedrijfsarts bevestigde dat het logisch was dat de werkneemster haar eigen werkzaamheden niet had hervat. Het UWV concludeerde dat de werkneemster in de relevante periode niet geschikt was voor haar eigen werk en voldoende had meegewerkt aan haar re-integratie. Ook de resultaten van het rechercheonderzoek vond de kantonrechter onvoldoende om een loonstop te rechtvaardigen. Het ging om (i) werkzaamheden met een beperkte omvang bij een autowasserette, (ii) waarvoor werkneemster geen loon ontving en (iii) deze activiteiten pasten bij het advies om niet thuis geïsoleerd te blijven. Werkneemster heeft haar re-integratieverplichingen niet geschonden. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en achterstallige loonaanvullingen.
