Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Amersfoort), 17 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3744
De discretionaire bevoegdheid tot het niet uitkeren van een eindejaarsuitkering is in strijd met de eisen van goed werkgeverschap.

Feiten

Werknemer heeft gedurende een jaar bij werkgeefster gewerkt. In de arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar staat dat werknemer naast de maandelijkse loonbetalingen ook recht heeft op een discretionaire eindejaarsuitkering op basis van een door werkgeefster nader te bepalen te behalen jaaromzet. Deze heeft hij nooit ontvangen. In deze procedure vordert werknemer betaling van die eindejaarsuitkering. Werkgeefster vordert op haar beurt terugbetaling van kosten die zij heeft moeten maken gedurende het dienstverband van werknemer. Op 4 december 2024 heeft werknemer aangegeven na afloop van zijn arbeidsovereenkomst niet langer in dienst te willen blijven en stelt dat hij recht heeft op een eindejaarsuitkering over 2024 van € 3.655,72 bruto en over 2025 van € 71,48 bruto. Werkgeefster heeft aangegeven dat het uitkeren van de eindejaarsuitkering een contractuele discretionaire bevoegdheid is. Volgens werkgeefster hebben de prestaties van werknemer zich niet naar verwachting ontwikkeld en bleven zijn prestaties ook achter ten opzichte van collega’s.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Een discretionaire bevoegdheid bij het toekennen van een bonus of eindejaarsuitkering wordt begrensd door het beginsel van goed werkgeverschap. Uit de functioneringsgesprekken bleek niet dat de werknemer ondermaats presteerde. Integendeel, in de verslagen stond dat zijn prestaties in lijn waren met de verwachtingen en dat hij goede ontwikkelingsstappen maakte. Werkgeefster had bovendien de bedoeling de arbeidsovereenkomst te verlengen, wat niet past bij het standpunt dat werknemer onvoldoende functioneerde. De beslissing om geen eindejaarsuitkering toe te kennen is onvoldoende gemotiveerd. Werknemer kreeg pas na afloop van het dienstverband een duidelijke toelichting. Werkgeefster heeft daarmee in strijd met het goed werkgeverschap gehandeld en wordt veroordeeld tot betaling van de eindejaarsuitkering. Werkgeefster vorderde ruim € 12.700 aan opleidings-, wervings- en begeleidingskosten van werknemer terug. De kantonrechter wijst de vordering af omdat (i)  de kosten onvoldoende zijn onderbouwd, (ii) werkgeefster bewust een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is aangegaan en (iii) investeringen in een werknemer niet zonder meer op een vertrekkende werknemer kunnen worden verhaald.