Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 17 juni 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3738
Geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. Loonvordering oproepkracht toegewezen; wettelijke verhoging gematigd tot 10% nu werkneemster in een laat stadium aanspraak op loon heeft gemaakt.

Feiten

Werkneemster is per 19 januari 2024 in dienst getreden bij werkgeefster. Werkneemster was werkzaam als oproepkracht. De arbeidsovereenkomst is verschillende keren verlengd. Tussen partijen is discussie ontstaan over de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en over door werkneemster gevorderd achterstallig loon.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De arbeidsovereenkomst is per 19 januari 2026 van rechtswege geëindigd. Partijen hebben verwezen naar hetzelfde schriftelijke en door beide partijen ondertekende stuk waarin staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd en eindigt op 18 januari 2026. Dat de verlenging is overeengekomen voordat de arbeidsovereenkomst per 19 maart 2025 eindigde, past verder bij de omstandigheden dat de eerdere verlenging ook tijdig is overeengekomen (namelijk al op 24 juli 2024) en dat tijdig (bij brief van 10 december 2025) is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2026 zou eindigen. Voor het standpunt van werkneemster dat de verlenging in mei 2025 is overeengekomen en het (impliciete) standpunt dat de aangehaalde uploaddatum is geantedateerd zijn geen aanwijzingen. Nu sprake was van een oproepovereenkomst had werkneemster een aanbod moeten krijgen voor een vaste arbeidsomvang. Dit heeft werkgeefster nagelaten. De loonvordering van werkneemster op basis van het gemiddeld aantal gewerkte uren in eerdere perioden wordt toegewezen. De wettelijke verhoging wordt gematigd tot 10%, nu werkneemster pas in november 2025 over de onjuistheden in de verloning is begonnen en op uitnodigingen om de uren te bespreken niet heeft gereageerd. Nu de arbeidsovereenkomst inmiddels is geëindigd wordt de verzochte veroordeling van werkgeefster tot aansluiting van werkneemster bij het bedrijfstakpensioenfonds afgewezen. Werkgeefster wordt in de proceskosten veroordeeld.