Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Groningen), 3 juni 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2530
Feiten
Werknemer is per 15 februari 2021 in dienst getreden bij Stichting Onafhankelijk Bewonerssteunpunt Mijnbouwschade (hierna: Stut en Steun) in de functie van steunpuntmedewerker. Werknemer heeft zich op 8 mei 2024 ziekgemeld en was toen enkele weken niet bereikbaar. Vervolgens vond op 24 mei 2024 een gesprek met Stut en Steun plaats waarin werknemer aangaf dat hij op meerdere momenten apathisch en niet bereikbaar is geweest sinds zijn ziekmelding. Op 26 juni 2024 heeft een gesprek met de bedrijfsarts plaatsgevonden, waarbij deze heeft aangegeven dat werknemer twee uren per dag kon werken op de reguliere werkdagen. In de periode hierna is werknemer herhaaldelijk niet verschenen op het werk en op afspraken met de bedrijfsarts, de maatschappelijk werker en de begeleider van het tweede spoor, meermaals zonder correcte afmelding. Stut en Steun heeft werknemer meerdere keren schriftelijk aangemaand tot het nakomen van zijn re-integratieverplichtingen, gewaarschuwd voor arbeidsrechtelijke sancties en de betaling van het loon opgeschort. In februari 2026 heeft werknemer bij een leidinggevende aangegeven dat hij een drugsverslaving had. Stut en Steun heeft een deskundigenonderzoek aangevraagd over de re-integratie-inspanningen van werknemer. Naar aanleiding daarvan is op 30 april 2026 een arbeidsdeskundig rapport uitgebracht. Hieruit blijkt dat de bedrijfsarts niet kon vaststellen dat bij werknemer sprake is van een zodanig ernstige ziekte dat hij niet in staat was de afspraken na te komen. Stut en Steun verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst, primair op de e-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het opzegverbod tijdens ziekte is niet van toepassing indien de werknemer zonder deugdelijke grond de verplichtingen in het kader van re-integratie weigert na te komen en de werkgever hem schriftelijk heeft gemaand tot nakoming van deze verplichtingen of de betaling van loon om die reden heeft gestaakt. Aan die voorwaarden is voldaan. Werknemer is niet verschenen op het werk en op afspraken van de werkgever, bedrijfsarts, maatschappelijk werker en begeleider van het tweede spoor. De vele momenten waarop werknemer zijn re-integratieverplichtingen niet is nagekomen leveren in beginsel verwijtbaar handelen op dat ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e-grond rechtvaardigt. Hoewel werknemer voldoende heeft onderbouwd dat hij kampt met een drugsverslaving, heeft hij onvoldoende onderbouwd dat hij hierdoor niet in staat was naar de gesprekken te komen en te werken. Ook heeft werknemer geen (medische) stukken of verklaringen overgelegd waaruit de ernst en duur van de verslaving en de belemmeringen zouden blijken. Het feit dat werknemer de arbeidsdeskundige en de bedrijfsarts niet over zijn drugsverslaving heeft verteld is geen reden om aan te nemen dat aan het rapport van 30 april 2026 geen gewicht kan worden toegekend, mede omdat er geen stukken over zijn gelegd die het rapport tegenspreken. Daarom is onvoldoende gebleken dat werknemer geen verwijt treft ter zake van het niet voldoen aan zijn re-integratieverplichtingen. Het feit dat werknemer Stut en Steun heeft verteld van zijn verslaving maakt niet dat aan Stut en Steun een verwijt kan worden gemaakt van de gang van zaken. Werknemer wilde geen nadere toelichting geven, waardoor niet van Stut en Steun kon worden verwacht dat zij iets met deze informatie zou doen. Gelet op de parlementaire geschiedenis kwalificeert het gedrag van werknemer als ernstig verwijtbaar handelen. De kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat het niet toekennen van de transitievergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Gebleken is dat werknemer zich in een moeilijke positie bevindt, waardoor het niet toekennen van de transitievergoeding hem te zwaar zou benadelen. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
