Naar boven ↑

Rechtspraak

Grand Relocation B.V./gedaagden
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 24 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6434
Kort geding. Vorderingen Grand Relocation B.V. tot veroordeling van oud-werknemers tot afgifte stukken toegewezen. Spoedeisend belang voldoende aannemelijk.

Feiten

Grand Relocation B.V. (hierna: GR) richt zich onder meer op beheersactiviteiten, exploitatie van onroerend goed en bemiddeling bij (ver)huur. Gedaagden zijn voormalige werknemers van GR. Gedaagden hebben in respectievelijk 2020, 2023 en 2024 eenmanszaken opgericht. Twee gedaagden zijn op staande voet ontslagen in 2025 terwijl een andere gedaagde per 1 november 2024 uit dienst is getreden. Uit de ontslagbrieven volgt dat GR documenten heeft aangetroffen op een aan haar toebehorende computer waaruit zij heeft opgemaakt dat vanuit ongelieerde eenmanszaken facturen zijn verzonden aan klanten van GR, die vanuit GR verzonden hadden moeten worden. In oktober 2025 stuurt GR een brief aan gedaagden. Daarin staat samengevat dat zij zich gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan het wegsluizen van klanten, opdrachten en omzet van GR naar hun eigen eenmanszaken. Zij stelt hen aansprakelijk voor de door haar geleden schade. Om de volledige schade te kunnen vaststellen verzoekt zij hun uiterlijk binnen 14 dagen verschillende stukken. GR vordert, onder meer, een verbod voor gedaagden om administratie met betrekking tot de activiteiten van hun eenmanszaken te verwijderen, te wijzigen of ontoegankelijk te maken. Ook vordert zij een veroordeling van gedaagden tot het verstrekken van de nodige stukken.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. GR heeft ter zitting toegelicht dat zij in het voorgaande jaar bezig is geweest om de benodigde informatie van gedaagden te krijgen, een dossier op te bouwen en heeft geprobeerd om de kwestie zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Dat zij een jaar heeft stilgezeten voordat zij actie ondernam, is dus feitelijk niet juist. Voor het overige volgt de spoedeisendheid voldoende uit de vorderingen zelf. Verder voeren gedaagden aan dat artikel 21 Rv is geschonden, omdat hun advocaat niet (tijdig) is betrokken bij dit kort geding. Dat levert geen schending op van artikel 21 Rv, maar zou hooguit kunnen resulteren in een aanhouding van de zaak. Aanhouding is echter niet gevraagd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagden zich voldoende hebben kunnen voorbereiden. Daarnaast zijn de stukken waarop GR haar vorderingen baseert volgens gedaagden onrechtmatig verkregen, reden waarom die volgens hen buiten beschouwing zouden moeten blijven. Deze (betwiste) stelling wordt niet gevolgd. De documenten zijn aangetroffen op een computer die eigendom is van GR. Als het bewijs al onrechtmatig verkregen zou zijn, betekent dat in het civiele recht niet zonder meer dat de (voorzieningen)rechter dit bewijs niet aan zijn oordeel ten grondslag mag leggen. Dat geldt temeer in dit geval nu uit de stukken vrij evident volgt dat gedaagden zich ten tijde van hun dienstverband hebben beziggehouden met concurrerende werkzaamheden, wat op zichzelf ook niet gemotiveerd door gedaagden wordt betwist. Op grond van de overgelegde stukken die GR heeft achterhaald, is voorshands aannemelijk dat gedaagden zich hebben beziggehouden met onrechtmatig concurrerende activiteiten. De stukken waarvan afgifte wordt gevorderd zijn van belang voor het in kaart brengen van de omvang daarvan en de schade die als gevolg daarvan is geleden. Dat gedaagden de stukken niet hebben, is niet aannemelijk gelet op de administratieplicht die voor de eenmanszaken geldt, en strookt overigens ook niet met hun andere stelling dat de vorderingen moeten worden afgewezen vanwege privacyredenen. Daarbij hebben gedaagden ook niet onderbouwd welke stukken niet zouden kunnen worden overgelegd gelet op de AVG. De stukken zijn verder voldoende bepaald; van een fishing expedition zoals gedaagden stellen, is geen sprake. Een belangenafweging leidt niet tot een ander oordeel. Het belang van GR bij het achterhalen van de omvang van de concurrerende werkzaamheden en de daaruit voortvloeiende schade weegt zwaarder dan het belang van gedaagden om die informatie voor zichzelf te houden vanwege het feit dat dit hun persoonlijke levenssfeer in vergaande mate zou raken, zoals zij menen. De vorderingen van GR worden toegewezen. Gedaagden worden in de proceskosten veroordeeld.