Naar boven ↑

Rechtspraak

Loodgieters- en Verwarmingsbedrijf Wijngaarden B.V./werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23 juni 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:1974
De tussen werkgever en werknemer tot stand gekomen geldleenovereenkomst kwalificeert als consumentenkredietovereenkomst. Vordering van werkgever tot (terug)betaling van de geleende bedragen wordt afgewezen, nu hij niet aan zijn informatieverplichtingen heeft voldaan en ‘de kredietwaardigheidstoets’ niet is uitgevoerd.

Feiten

Op of omstreeks 20 december 2023 is tussen Loodgieters- en Verwarmingsbedrijf Wijngaarden B.V. (hierna: Wijngaarden), als werkgever, en werknemer, als werknemer, een geldleenovereenkomst gesloten voor een bedrag van € 50.000 met een jaarlijks rentepercentage van zeven procent. Volgens de geldleenovereenkomst is Wijngaarden gerechtigd de verschuldigde bedragen in te houden op het salaris van werknemer, indien de bedragen niet tijdig worden betaald. De arbeidsovereenkomst van werknemer is op enig moment na de totstandkoming van de geldleenovereenkomst geëindigd. Werknemer heeft niet voldaan aan zijn betalingsverplichtingen aan Wijngaarden. In eerste aanleg heeft Wijngaarden werknemer gedagvaard en gevorderd hem te veroordelen tot betaling van € 51.979,28. Werknemer is niet verschenen en de kantonrechter heeft aan hem verstek verleend. Bij rolbeslissing van 13 maart 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de vordering uit hoofde van de geldleningsovereenkomst geen vordering betreffende een arbeidsovereenkomst is, maar dat de kantonrechter wel bevoegd is om kennis te nemen van deze zaak indien de geldlening valt te kwalificeren als een overeenkomst van consumentenkrediet als bedoeld in artikel 7:57 BW. In reactie daarop heeft Wijngaarden B.V. gemeld dat dat de geldlening volgens haar geen overeenkomst is van consumentenkrediet. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld dat de geldlening wel kwalificeert als een overeenkomst van consumentenkrediet en de vorderingen van Wijngaarden afgewezen omdat Wijngaarden niet had gesteld en onderbouwd dat zij voorafgaand aan het sluiten van de geldlening aan haar informatieverplichtingen heeft voldaan en dat ‘de kredietwaardigheidstoets’ is uitgevoerd, voor het verstrekken van de geldlening. Wijngaarden heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Volgens Wijngaarden is zij geen kredietgever in de zin van artikel 7:57 BW omdat zij de lening als werkgever heeft verstrekt aan werknemer. De terugbetaling van de lening liep synchroon met de salarisbetalingen. Werknemer is opnieuw niet verschenen in de procedure.

Oordeel

Het hof oordeelt als volgt. De door Wijngaarden verstrekte lening valt binnen de in artikel 7:57 lid 1 onder c BW gegeven definitie van een consumentenkredietovereenkomst. De omstandigheid dat Wijngaarden niet alleen geldgever, maar toen ook de werkgever was van werknemer, maakt niet dat zij in dit geval niet als een ‘kredietgever’ in de zin van deze bepaling (zie ook art. 7:57 lid 1 onder b BW) kan worden beschouwd. De wet voorziet immers in een regeling voor werkgevers die tevens krediet hebben verstrekt. In artikel 7:58 lid 2 onder f BW wordt de werkgever genoemd voor wie een uitzondering wordt gemaakt van de verplichtingen van onder meer artikel 7:60 BW zolang het gaat om kredietovereenkomsten die werkgevers aan werknemers (als nevenactiviteit) verstrekken tegen een kostenpercentage dat lager is dan gebruikelijk is op de markt. De conclusie is dat het oordeel van de kantonrechter dat de geldlening een overeenkomst van consumentenkrediet is, voor juist moet worden gehouden. Het hof bekrachtigt derhalve het vonnis van de kantonrechter.