Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 18 maart 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:2803
Feiten
Werkneemster stelt dat zij voor Stichting Ondersteunende Diensten CuraMare (hierna: CuraMare) werkt, maar dat CuraMare haar wettelijke verplichtingen uit de arbeidsomstandighedenregelgeving en uit goed werkgeverschap niet nakomt. Werkneemster verzoekt de rechtbank een deskundige te benoemen en aan hem te bevelen een voorlopig deskundigenonderzoek te doen over de in het verzoekschrift opgenomen onderwerpen. Het voorlopig deskundigenonderzoek zou moeten gaan over de uitval van werkneemster doordat CuraMare geen veilige werkomgeving heeft gecreëerd voor werkneemster, aldus werkneemster. CuraMare heeft nog geen verweer gevoerd tegen het verzoek van werkneemster. CuraMare verzoekt de rechtbank deze zaak te verwijzen naar de kantonrechter.
Oordeel
De rechtbank oordeelt als volgt. In verzoeken strekkende tot het bevelen van een voorlopige bewijsverrichting is bevoegd de rechter die vermoedelijk bevoegd is kennis te nemen van het geschil in de bodemzaak. Als die zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist, wordt het verzoek gedaan aan de kantonrechter (artikel 197 lid 1 Rv). De rechtbank stelt vast dat het achterliggende geschil waarover het verzochte voorlopige deskundigenbericht gaat, een arbeidsrechtelijk geschil betreft. De kantonrechter is als enige bevoegd om te oordelen in arbeidsrechtelijke geschillen (artikel 93 aanhef en onder c Rv). Daarom moet het verzoek van werkneemster aan de kantonrechter worden voorgelegd. Gelet hierop verwijst de rechtbank het verzoek van werkneemster naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank (artikel 71 lid 2 Rv).
