Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 21 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5250
Feiten
Werkneemster was tussen 1 mei 2023 en februari 2025 in dienst van werkgeefster. Volgens werkgeefster heeft werkneemster tijdens haar dienstverband strafbare feiten gepleegd. Werkgeefster heeft daarom een aantal klanten een bericht gestuurd waarin staat dat zij bewijs aan het verzamelen is van betalingen via Tikkie die werkneemster ten onrechte zou hebben ontvangen van klanten. Dat zou volgens werkgeefster nodig zijn voor een politieonderzoek en een procedure. Werkneemster vordert in kort geding veroordeling van werkgeefster om inzage te verstrekken aan wie en op welke wijze werkgeefster het bericht heeft gezonden. Ook verzoekt zij veroordeling van werkgeefster om een bericht tot rectificatie te versturen.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. De kern van het geschil tussen partijen wordt gevormd door een botsing van twee fundamentele rechten: het recht op vrijheid van meningsuiting (art. 7 Grondwet en art. 10 EVRM) van werkgeefster tegenover het recht van werkneemster op de bescherming van haar goede naam (art. 8 EVRM). De voorzieningenrechter is van oordeel dat het recht op de bescherming van de goede naam van werkneemster in dit geval zwaarder weegt. Het bericht van werkgeefster bevat de mededeling dat ‘gebleken’ zou zijn dat werkneemster ‘zonder medeweten’ van werkgeefster betalingen van klanten via Tikkie zou hebben ontvangen. Dit is feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend. Werkneemster heeft immers voldoende aannemelijk gemaakt dat er sprake is geweest van de ontvangst en behoud van betalingen via Tikkie op instructie of met toestemming van werkgeefster. Dit blijkt uit diverse WhatsApp-berichten van werkgeefster waarin die instructie of toestemming werd gegeven en uit een e-mail van werkneemster aan werkgeefster waarin een overzicht werd gegeven van welke betalingen zij had ontvangen en behouden. De conclusie is dan ook dat er sprake is van publicatie van gegevens die feitelijk onjuist of door onvolledigheid misleidend zijn. De beschuldigingen door werkgeefster aan het adres van werkneemster zijn ernstig. Een dergelijke beschuldiging tast gelet op de ernst en inhoud daarvan de goede naam van werkneemster aan, terwijl niet is gebleken dat op het moment dat de beschuldiging werd gedaan, zeker gelet op de stelligheid daarvan, deze voldoende steun vond in het beschikbare feitenmateriaal. Daarom is de publicatie onrechtmatig jegens werkneemster. Werkgeefster wordt veroordeeld tot het versturen van een rectificatie. Zij dient werkneemster voorts inzage te verschaffen in de geadresseerden van het eerdere bericht.
