Rechtspraak
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 23 juni 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:3652
Feiten
Werkneemster is sinds 1 augustus 2024 voor bepaalde tijd in dienst bij Het Stedelijk Lyceum Enschede (hierna: Het Stedelijk) in de functie van docente LB binnen de Internationale Schakelklas (ISK) met een loon van € 2.407,23 bruto per maand exclusief emolumenten bij een arbeidsomvang van 0,6 fte. Naast haar werk als docente volgde zij een universitaire deeltijdopleiding tot docente Nederlands. Omstreeks juni 2025 zijn de werkdagen van werkneemster gewijzigd, omdat zij ten behoeve van haar opleiding in de periode van 7 oktober 2025 tot 31 januari 2026 stage ging lopen. Met ingang van 8 oktober 2025 heeft zij zich arbeidsongeschikt gemeld voor haar werkzaamheden bij Het Stedelijk. In de probleemanalyse en de verschillende daarop volgende spreekuurrapportages oordeelt de bedrijfsarts dat er geen sprake is van benutbare mogelijkheden. Het Stedelijk vraagt aan de Arbodienst of werkneemster ook haar studie op pauze heeft gezet. De Arbodienst heeft daarop gereageerd dat werkneemster daar in alle gesprekken naar is gevraagd en dat zij doet voorkomen dat ze zowel haar studie als stage helemaal op pauze heeft gezet, maar dat de Arbodienst dat niet kan controleren. Het Stedelijk heeft medio februari 2026 een brief naar werkneemster gestuurd waarin het aangaf dat werkneemster ondanks de aan de bedrijfsarts verstrekte informatie tijdens haar ziekte wel haar stagewerkzaamheden heeft verricht. Werkneemster had Het Stedelijk daarover moeten informeren met als gevolg dat zij geen recht had op het loon over de periode 25 augustus 2025 tot en met 31 januari 2026. In maart 2026 volgt er een gesprek tussen partijen. Aan de hand van de inhoud van dit gesprek heeft Het Stedelijk nog vervolgcontact gehad met de bedrijfsarts. Op 4 maart 2026 is werkneemster op staande voet ontslagen, onder meer omdat zij heeft verzwegen en/of gelogen dat zij tijdens haar arbeidsongeschiktheid stage liep. Werkneemster verzoekt een billijke vergoeding toe te kennen van € 28.000 bruto. Verder verzoekt zij om Het Stedelijk te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens werkneemster is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat er geen sprake is van een dringende reden, het ontslag op staande voet niet proportioneel is en de dringende reden niet onverwijld is medegedeeld.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat het ontslag op staande voet geen stand houdt. Allereerst omdat de stage al was begonnen voor de ziekmelding en het verwijt van Het Stedelijk dat zij tijdens de ziekmelding met de stage was begonnen dan ook niet correct is. Vervolgens is het aan de bedrijfsarts om te beoordelen of iemand ondanks ziekte nog bepaalde activiteiten of stagewerkzaamheden kan verrichten. Het Stedelijk heeft ook onvoldoende aangetoond dat werkneemster heeft gelogen tegen de Arbodienst en/of bewust informatie heeft achtergehouden. Uit overgelegde stukken van het revalidatiecentrum blijkt naar het oordeel van de kantonrechter dat werkneemster juist openheid van zaken heeft gegeven over haar stageactiviteiten. Zelfs als zou komen vast te staan dat werkneemster een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven aan Het Stedelijk over de voortzetting van de stage na 8 oktober 2025, dan is er naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake van rechtsgeldig ontslag op staande voet. Hierbij is van belang dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en rekening gehouden dient te worden met onder meer de persoonlijke omstandigheden van werkneemster. Naast de gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding kent de kantonrechter een billijke vergoeding toe van € 3.000 bruto.
