Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Leiden), 28 april 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:11500
Feiten
Werkneemster is sinds 1 juni 2025 als tandartsassistente in dienst bij werkgeefster. Partijen hebben een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten tot 1 september 2025. Deze arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd tot 1 september 2026. In november 2025 hebben partijen met elkaar gesproken over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Vervolgens hebben partijen op 5 december 2025 een vaststellingsovereenkomst ondertekend en afgesproken dat het dienstverband zou eindigen op 31 december 2026. Werkneemster heeft op 17 december 2025 de vaststellingsovereenkomst ontbonden. Zij is op diezelfde dag door werkgeefster op staande voet ontslagen. Werkneemster berust in het ontslag, maar verzoekt toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen zijn het erover eens dat werkgeefster niet heeft voldaan aan de formele eisen die voor een ontslag op staande voet gelden, alleen al omdat geen sprake is van een dringende reden. Dat betekent dat vaststaat dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven. Werkneemster maakt aanspraak op een billijke vergoeding van € 11.629,80 bruto. Zij gaat er daarbij onder meer van uit dat zij tot 1 september 2026 bij werkgeefster zou hebben gewerkt. Dit vindt de kantonrechter echter niet aannemelijk. Uit het procesdossier volgt dat de arbeidsrelatie tussen partijen voorafgaand aan het ontslag al in aanzienlijke mate was verstoord. Op geen enkele wijze is gebleken dat er nog sprake was van een vertrouwensbasis op grond waarvan een langere en vruchtbare samenwerking nog mogelijk zou zijn geweest. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat het dienstverband nog langer dan enkele maanden had geduurd. Voorts weegt de kantonrechter mee dat er sprake is van een zeer kort dienstverband, namelijk van 1 juni 2025 tot 17 december 2025. Daarnaast betrekt de kantonrechter bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding dat de billijke vergoeding ook een afschrikwekkende werking mag hebben, in die zin dat werkgeefster op de noodzaak wordt gewezen haar gedrag in eventuele volgende, soortgelijke gevallen aan te passen. Dit alles afwegende vindt de kantonrechter een billijke vergoeding van € 1.800 bruto passend en redelijk. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag. Ook dient zij de transitievergoeding van € 442 bruto en een gefixeerde schadevergoeding van € 990,72 bruto aan werkneemster te voldoen.
