Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland (Locatie Leeuwarden), 17 juni 2026
ECLI:NL:RBNNE:2026:2395
Feiten
Werkneemster is per 10 oktober 2020 in dienst getreden bij (een rechtsvoorganger van) werkgeefster in de functie van verkoopster. Zij is op 22 december 2025 op staande voet ontslagen, nadat werkgeefster had vastgesteld dat zij op 19 december 2025 drugs zou hebben verkocht op de werkvloer. In de ontslagbrief is naast dit verwijt ook gewezen op eerder besproken gedragingen sinds januari 2025, zoals telefoongebruik op de werkvloer, roken in werkkleding buiten de winkel, fouten bij bestellingen en het zonder toestemming gebruiken van de bedrijfsauto. Werkneemster verzoekt onder meer om toekenning van een billijke vergoeding, de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en bijkomende kosten. Werkgeefster voert verweer, verzoekt voor recht te verklaren dat er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen en vordert betaling van de gefixeerde schadevergoeding. Voorwaardelijk verzoekt werkneemster ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de e- dan wel g-grond.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Als een werknemer de dringende reden betwist, is het aan de werkgever om te stellen en te bewijzen dat de dringende reden op het moment van het ontslag op staande voet aanwezig was. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een samengestelde dringende reden voor het ontslag op staande voet. Bij de beoordeling van de onverwijldheid is bepalend wanneer het vermoeden van die samengestelde reden is ontstaan en wanneer dat voldoende vaststond. Hoewel de eerder in december 2025 besproken gedragingen al bekend waren, hebben deze kennelijk niet eerder aanleiding gevormd voor de beëindiging van het dienstverband. Pas nadat op 19 december 2025 was geconstateerd dat op de werkvloer drugs waren verkocht, heeft werkgever aanleiding gezien om tot ontslag op staande voet over te gaan. Omdat werkgever vervolgens snel handelde door advies in te winnen en op de eerstvolgende werkdag tot ontslag over te gaan, is het ontslag onverwijld gegeven. De kantonrechter oordeelt dat de eerder verweten gedragingen (zoals telefoongebruik, roken en gebruik van de bedrijfsauto) het ontslag op staande voet niet kunnen dragen, mede omdat deze al langer bekend waren en nooit tot waarschuwingen of sancties hebben geleid. Daarom wordt de beoordeling toegespitst op de vraag of werkneemster op 19 december 2025 op de werkvloer drugs heeft gedeald. Hoewel werkneemster erkent drugs te hebben verkocht, betwist zij dat dit op de werkvloer gebeurde, en de camerabeelden bieden daarvoor op zichzelf onvoldoende bewijs. De verklaringen van betrokkenen geven wel aanwijzingen, maar zijn niet doorslaggevend, waardoor het feit nog niet vaststaat. Werkgeefster krijgt daarom de opdracht om bewijs te leveren. Als zij hierin slaagt, is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van een geldig ontslag op staande voet. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
