Rechtspraak
Feiten
Werknemer is per 14 april 2022 in dienst getreden bij werkgeefster. Op 31 maart 2024 heeft werknemer deze arbeidsovereenkomst opgezegd. In oktober 2024 heeft werknemer een loonvordering aangebracht tegen werkgeefster betreffende het niet betaalde loon over de laatste maand van het dienstverband. Op 11 december 2024 is werkgeefster door middel van een turboliquidatie opgeheven wegens gebrek aan baten. Op 31 december 2024 is vonnis gewezen. Bij (herstel)vonnis van 5 februari 2025 is werkgeefster veroordeeld tot betaling van achterstallig loon en de proceskosten. Bij brief van 20 juni 2025 heeft werknemer de bestuurder van werkgeefster (hierna: bestuurder) aansprakelijk gesteld voor het niet nakomen van de verplichtingen van werkgeefster aan werknemer. Werknemer vordert schadevergoeding van bestuurder op grond van onbehoorlijk bestuur.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Het verweer van bestuurder dat werknemer geen rechten kan ontlenen aan het vonnis van 31 december 2024 en het herstelvonnis van 5 februari 2025 omdat deze zijn gewezen tegen een niet bestaande vennootschap faalt. Het vonnis is gewezen op tegenspraak, en bericht van het besluit de vennootschap te liquideren bereikte de rechtbank pas nadat de kantonrechter op de rolzitting van 11 december 2024 had bepaald vonnis te wijzen, waardoor schorsing niet meer mogelijk was. Bestuurder is niet aansprakelijk op grond van de Beklamel-norm, het aangaan van een verplichting namens de vennootschap in de wetenschap dat die verplichting niet nagekomen zou kunnen worden. Vast staat dat werkgeefster doorgaans loon heeft betaald, en de vordering van werknemer tegen werkgeefster alleen ziet op de afwikkeling van het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarom kan niet worden aangenomen dat bestuurder bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst wist dat werkgeefster haar verplichtingen bij het einde daarvan niet zou nakomen. Ook blijkt niet dat het niet nakomen van de betalingsverplichting aan werknemer het gevolg is van betalingsonwil van bestuurder of dat middelen aan werkgeefster zijn onttrokken met het oogmerk werknemer als crediteur te benadelen, nu werknemer niet heeft onderbouwd waarom daarvan sprake zou zijn. Tevens faalt het betoog van werknemer dat bestuurder ten onrechte zou zijn overgegaan tot turboliquidatie van werkgeefster en dit een onrechtmatige daad oplevert. Het enkele feit dat de vennootschap als gevolg van de turboliquidatie haar betalingsverplichting niet kan voldoen is onvoldoende voor het aannemen van bestuurdersaansprakelijkheid. Een turboliquidatie mag worden uitgevoerd als er geen baten meer in de onderneming zitten, en bestuurder heeft gemotiveerd toegelicht dat dit het geval was. Werknemer faalt in de stelplicht en bewijslast dat dit onjuist is. De stelling van werknemer dat het niet betalen van loon in de wetenschap dat er een loonprocedure loopt kwalificeert als persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder treft geen doel nu dit niet het toepasselijke criterium is. Daarom moet worden aangenomen dat aan de voorwaarden voor turboliquidatie is voldaan. De kantonrechter wijst de vordering van werknemer af. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
