Naar boven ↑

Rechtspraak

City Clinics B.V./gedaagde en Aura Clinics B.V.
Rechtbank Noord-Holland, 24 februari 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:2347
De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af, omdat in kort geding onvoldoende zekerheid bestaat over de rechtsgeldigheid van de bedingen door onzekerheid over de kwalificatie van de overeenkomst.

Feiten

Tussen City Clinics en gedaagde is op 2 of 3 januari 2023 een overeenkomst getiteld "overeenkomst van opdracht voor bepaalde tijd" gesloten, op grond waarvan gedaagde als arts behandelingen heeft uitgevoerd in klinieken van City Clinics. In de overeenkomst van opdracht is een concurrentiebeding, cliëntenbeding en boeteclausule opgenomen. Eind 2025 heeft gedaagde de onderneming Aura Clinics opgericht en biedt zij vanuit deze onderneming behandelingen aan in vier salons die zijn gevestigd in Emmen, Groningen, Sneek en Hardenberg. De salons in Emmen en Groningen bevinden zich op een afstand van minder dan 20 kilometer van een vestiging van City Clinics. In deze salons heeft gedaagde cliënten behandeld die (voorheen) klant waren bij City Clinics. City Clinics vordert gedaagde en Aura Clinics hoofdelijk te gebieden om jegens City Clinics het concurrentiebeding, cliëntenbeding en geheimhoudingsbeding na te komen.

Oordeel

Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is nodig dat City Clinics daarbij een spoedeisend belang heeft. Ten aanzien van de gevraagde voorzieningen in verband met het geheimhoudingsbeding ontbreekt naar het oordeel van de voorzieningenrechter het spoedeisend belang. City Clinics heeft omtrent het geheimhoudingsbeding in het geheel niets gesteld in haar processtukken en ook op de mondelinge behandeling is dit beding niet ter sprake gekomen. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen. In kort geding moet de voorzieningenrechter beoordelen of op basis van de feiten en omstandigheden en zonder nadere bewijslevering de ingestelde vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Op grond van artikel 256 Rv kan de voorzieningenrechter de gevraagde voorziening weigeren indien de zaak niet geschikt is om te worden beslist in kort geding. Van een dergelijke ongeschiktheid kan sprake zijn als de voorzieningenrechter zich het voor het geven van een verantwoorde beslissing vereiste inzicht in de zaak niet kan verschaffen. De voorzieningenrechter is in het licht hiervan van oordeel dat de in conventie gevorderde voorzieningen in dit kort geding niet voor toewijzing in aanmerking komen. Het volgende is daartoe redengevend. Gedaagde heeft gesteld en onderbouwd dat de tussen haar en City Clinics gesloten overeenkomst niet moet worden opgevat als een overeenkomst van opdracht, maar als een arbeidsovereenkomst. Indien die stelling juist zou zijn, zou dat betekenen dat het concurrentiebeding en het relatiebeding op grond van artikel 7:653 BW nietig zijn, omdat de overeenkomst voor een bepaalde tijd is gesloten en de noodzaak van deze bedingen daarbij niet schriftelijk is gemotiveerd. Omdat de vorderingen van City Clinics uitgaan van de geldigheid van de bedingen, staat of valt de beslissing in deze zaak dus met de kwalificatie van de overeenkomst. Gedaagde heeft gesteld dat de feitelijke gang van zaken binnen City Clinics afweek van de woordelijke bepalingen uit de overeenkomst, en zij heeft aan de hand van de gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest uiteengezet dat deze feitelijke gang van zaken maakt dat de overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Een en ander is door City Clinics gemotiveerd betwist, waarbij zij aanvoert dat gedaagde welbewust heeft gekozen voor een overeenkomst van opdracht, dat er geen sprake was van een gezagsverhouding, dat gedaagde zelf haar werkdagen bepaalde, dat de wijze van beloning niet paste bij een arbeidsovereenkomst en dat gedaagde met inachtneming van de beperkingen uit het concurrentiebeding en het cliëntenbeding wel degelijk de vrijheid had om ook voor andere opdrachtgevers te werken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van het over en weer gestelde, en door partijen (deels ook) onderbouwde, niet in de voor toewijzing in kort geding benodigde voldoende en overtuigende mate kan worden aangenomen dat de bodemrechter tot toewijzing van de vorderingen van City Clinics zal overgaan. Daargelaten dat voor nadere bewijslevering in dit kort geding geen plaats is, past de voorzieningenrechter behoedzaamheid aangaande het oordeel van de bodemrechter omtrent de uitleg van de overeenkomst, de feitelijke kwalificatie daarvan aan de hand van de Deliveroo-gezichtspunten en de vaststelling van de mate waarin de verschillende bedingen uit de overeenkomst in de praktijk betekenis hebben gehad voor gedaagde. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat de gevolgen van toewijzing in dit kort geding voor gedaagde in beginsel verstrekkend zijn (zowel financieel als qua beroepsuitoefening), terwijl afwijzing ervan voor City Clinics minder ingrijpend lijkt te zijn nu zij in een bodemprocedure alsnog haar (eventuele) rechten kan doen gelden. Gelet op dit alles oordeelt de voorzieningenrechter dat niet op een verantwoorde wijze op de vorderingen van City Clinics kan worden beslist. De voorzieningen die strekken tot nakoming van de bedingen, versterkt met dwangsommen en contractuele boetes, zullen daarom worden geweigerd.