Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 2 juni 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:15538
Keukenassistent verzoekt om achterstallig loon en andere vergoedingen nu werkgeefster het salaris niet betaalt.

Feiten

Werkgeefster exploiteert een eethuis. Werknemer treedt op 1 maart 2025 bij werkgeefster in dienst op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 28 februari 2026, in de functie van keukenassistent met een arbeidsduur van minimaal 12 uur per week. Werknemer verricht gedurende enkele maanden de overeengekomen werkzaamheden. Ondanks diverse verzoeken aan werkgeefster om loonbetaling ontvangt werknemer geen loon, behalve één betaling per bank. Bij brieven van zijn gemachtigde maakt werknemer aanspraak op loonbetaling en diverse vergoedingen. Daarbij stelt hij zich steeds beschikbaar te hebben gehouden voor werk. Op deze verzoeken volgt geen reactie van werkgeefster. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van achterstallig loon, opgebouwde en niet-genoten verlofuren, vakantietoeslag, wettelijke verhoging, een transitievergoeding, een aanzegvergoeding en buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van werkgeefster in de proceskosten. De arbeidsovereenkomst is gedurende de gehele overeengekomen periode van kracht is geweest. Van een tussentijdse opzegging is geen sprake geweest en de mogelijkheid daartoe is niet in de arbeidsovereenkomst opgenomen. Werknemer stelt dat hij zijn werkzaamheden na enkele maanden terecht heeft opgeschort omdat, op één betaling na, geen loon werd betaald. Daarom maakt hij aanspraak op loon over de gehele contractperiode. Daarnaast stelt werknemer dat hij recht heeft op uitbetaling van niet-genoten verlofuren en vakantietoeslag. Volgens werknemer kan het werkgeefster ernstig worden verweten dat zij vrijwel geen loon heeft betaald. Omdat de arbeidsovereenkomst niet aansluitend is voortgezet, maakt hij aanspraak op een transitievergoeding. Verder stelt hij dat werkgeefster haar aanzegverplichting niet is nagekomen en er aanspraak bestaat op wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat werkgeefster niet in de procedure is verschenen en geen verweer tegen het verzoek heeft gevoerd. Het verzoek kan, behoudens een beperkte correctie ten aanzien van de berekening van het achterstallige loon, worden gedragen door hetgeen werknemer aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd. Het verzoek wordt daarom grotendeels toegewezen. De kantonrechter wijst het achterstallige loon toe, waarbij rekening wordt gehouden met de reeds verrichte betaling. Ook de overige gevorderde vergoedingen worden toegewezen. Werkgeefster wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Daarbij overweegt de kantonrechter dat werknemer een goede reden had om werkgeefster bij exploot op te roepen, omdat werkgeefster op geen enkele brief van de gemachtigde van werknemer heeft gereageerd.