Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/De Staat Der Nederlanden (De Blastingdienst)
Rechtbank Overijssel (Locatie Enschede), 3 juni 2026
ECLI:NL:RBOVE:2026:3325
Ontslag op staande voet wegens nevenwerkzaamheden houdt stand. Strafrechtelijk zwijgrecht.

Feiten

Werkneemster is sinds 1 december 2020 in dienst bij de Staat der Nederlanden (de Belastingdienst), (hierna: de Staat), laatstelijk in de functie van groepsfunctionaris in het Landelijk Incassocentrum van de Belastingdienst op de locatie Enschede, met een loon van € 3.087,22 bruto per maand, exclusief emolumenten. Eind 2022 heeft werkneemster melding gedaan van haar voornemen om nevenwerkzaamheden voor de IND te gaan verrichten. Werkneemster heeft zich op 23 november 2023 ziek gemeld en is sindsdien arbeidsongeschikt. Op 4 november 2025 is werkneemster aangehouden. Zij heeft tot 16 december 2025 in detentie (voorarrest) gezeten. In die periode is haar loon niet betaald. Zij heeft haar detentie niet zelf gemeld bij haar werkgever. In januari 2026 meldde zij dat zij weer was vrijgekomen. Op 12 januari 2026 heeft het afdelingshoofd met werkneemster gesproken over de aanhouding en detentie. Van dat gesprek is een gespreksverslag opgesteld. Het OM heeft op 19 januari 2026 twee documenten verstrekt aan de Staat, te weten de geanonimiseerde processen-verbaal voorgeleiding ten behoeve van de vordering bewaring van onder meer verdachte werkneemster. Uit de documentatie blijkt onder meer dat zij verdacht wordt van mensensmokkel, oplichting en valsheid in geschrifte. Op grond van aanvullende informatie van het OM wilde de Staat in gesprek gaan met werkneemster om te kunnen beoordelen of er sprake zou kunnen zijn van ernstige integriteitsschending. Dit gesprek vindt niet plaats, waarna de Staat werkneemster op 21 januari 2026 op staande voet heeft ontslagen. De ontslagbrief bevat verschillende ontslaggronden. Werkneemster verzoekt vernietiging van het ontslag op staande voet. Volgens haar staat niet vast dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan de door de Staat gestelde feiten, gebaseerd op de processen-verbaal van het OM. Het strafrechtelijk onderzoek is immers nog niet afgerond en zij moet dus voor onschuldig worden gehouden.

Oordeel

Partijen twisten allereerst over de redenen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Het doel van het (met de ontslagbrief) onverwijld meedelen van de dringende reden is dat voor de ontvanger onmiddellijk duidelijk behoort te zijn wat de reden is geweest voor het ontslag. De kantonrechter is van oordeel dat het voor werkneemster voldoende duidelijk was dat zij is ontslagen omdat zij een verkeerd beeld heeft laten ontstaan en bestaan van haar nevenwerkzaamheden, en haar kwestieuze rol daarbij. Voor haar was eveneens voldoende duidelijk dat de Staat haar ontsloeg vanwege die kwestieuze rol.  De processen-verbaal van het OM hebben – anders dan een strafrechtelijk vonnis – geen dwingende bewijskracht. Er komt wel vrije bewijskracht aan toe. Dat wil zeggen dat ze kunnen worden gebruikt als onderbouwing van een standpunt van partijen. De Staat heeft de gestelde ontslagreden onderbouwd met de processen-verbaal. Daarmee heeft de Staat in civielrechtelijke zin voldoende gemotiveerd gesteld dat de aan het ontslag ten grondslag gelegde feiten zich hebben voorgedaan. De kantonrechter oordeelt als volgt. Op basis van de verklaringen die werkneemster tijdens de mondelinge behandeling wel heeft afgelegd, staat vast dat er een aanzienlijk verschil is tussen de nevenwerkzaamheden die zij bij de Staat heeft gemeld en de nevenwerkzaamheden die zij daadwerkelijk uitvoerde, zowel qua omvang als werkwijze. De kantonrechter oordeelt dat deze feiten een dringende reden opleveren en het ontslag op staande voet rechtvaardigen wegens (i) gebrek aan eerlijkheid (integriteit), (ii) herhaaldelijke misleiding werkgever en (iii) de specifieke rol van ambtenaar. Werkneemster heeft driemaal de kans gekregen om open kaart te spelen over haar nevenwerkzaamheden. Zij heeft dat tot drie keer toe niet gedaan. Daarbij komt nog dat zij als ambtenaar is beëdigd en van haar op het vlak van integriteit nog meer mag worden verwacht dan van een gewone werknemer. Door haar nevenwerkzaamheden op deze wijze uit te oefenen heeft zij afbreuk gedaan aan het vertrouwen dat mensen in de overheid en haar ambtenaren moeten kunnen stellen. Het verweer van werkneemster dat het ontslag op staande voet niet geldig is omdat geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden wordt verworpen. Het voorafgaand aan het ontslag horen van een werknemer is op zichzelf geen vereiste voor de geldigheid van een ontslag op staande voet.