Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:5687
Feiten
Werknemer is op 1 februari 2012 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) CBRE. In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen. Daarin is bepaald dat werknemer zowel tijdens als na zijn dienstverband, de gegevens waarvan verwacht mag worden dat hij daarvan begrijpt dat die vertrouwelijk zijn, geheim moet houden. Partijen hebben een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vso) gesloten, op grond waarvan de arbeidsovereenkomst vanwege bedrijfseconomische redenen met wederzijds goedvinden per 1 oktober 2025 zou worden beëindigd. Werknemer heeft op 7 mei 2025 e-mails met bijlages van zijn zakelijke e-mailadres naar zijn privé e-mailadres verstuurd. Partijen hebben de vso op 30 mei 2025 ondertekend. Bij brief van 13 juni 2025 heeft werknemer aan CBRE laten weten dat hij per 1 juli 2025 een nieuwe baan heeft gevonden. Hij heeft daarbij gevraagd om de einddatum van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 9 van de vso te veranderen naar 1 juli 2025. Op 17 en 25 juni 2025 heeft werknemer opnieuw e-mails van zijn werkmail naar zijn privémail gestuurd en één document uit het systeem van CBRE gekopieerd. De arbeidsovereenkomst is per 1 juli 2025 beëindigd. Op 17 juli 2025 ontving CBRE van haar Amerikaanse cybersecurityafdeling een melding uit het beveiligingssysteem over mogelijk dataverlies. CBRE heeft daarna een controle uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat er (in de 90 dagen voor de melding) vanuit het zakelijke e-mailadres van werknemer één bestand en 190 e-mails met bijlagen (hierna: de bestanden) zijn verstuurd naar het privé e-mailadressen van werknemer. CBRE heeft werknemer bij e-mail van 21 juli 2025 uitgenodigd om op 22 juli 2025 een (online) gesprek te voeren, zodat werknemer de situatie kon toelichten. Werknemer heeft daarop diezelfde dag bij e-mail gereageerd dat hij op zijn vroegst over twee weken beschikbaar was voor een gesprek. Vervolgens heeft CBRE bij brief van 23 juli 2025 aan werknemer medegedeeld dat alle betalingen per direct opgeschort zouden worden, in afwachting van het onderzoek. Op 28 juli 2025 heeft er, op verzoek van CBRE, een gesprek plaatsgevonden tussen werknemer en CBRE. Uit het gespreksverslag blijkt dat werknemer heeft bevestigd dat hij de bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd en dat hij zich bewust is van het CBRE-beleid over het delen van bedrijfsinformatie. Bij brief van 29 juli 2025 heeft CBRE aan werknemer laten weten dat de betalingen aan hem definitief stopgezet werden. Dit was omdat volgens CBRE uit de documentnamen en e-mailomschrijvingen was gebleken dat de gedeelde bestanden vertrouwelijk en zakelijk waren. De gemachtigde van werknemer heeft, bij e-mail van 1 augustus 2025 aan CBRE, geprotesteerd tegen het stopzetten van de betalingen en de (vermeende) schending van de geheimhoudingsplicht betwist. CBRE heeft bij brief van 26 november 2025 aangezegd de vso buitengerechtelijk gedeeltelijk (artikelen 3 tot en met 6, en 16 tot en met 18) te ontbinden vanwege dwaling. Werknemer vordert in onderhavige procedure diverse betalingen. In reconventie vordert CBRE (primair) vernietiging van de vso op grond van dwaling.
Oordeel
Tussen partijen is niet in geschil dat werknemer de bestanden naar zijn privémail heeft gestuurd. Partijen twisten echter over de vraag of de bestanden die werknemer naar zijn privémail gestuurd heeft, vertrouwelijk en/of bedrijfsgevoelig zijn. De kantonrechter oordeelt dat dit het geval is. CBRE heeft een overzicht overgelegd van (een gedeelte van) de bestanden. Over een aantal bestanden verschillen partijen van mening wat betreft de bedrijfsgevoeligheid daarvan. De kantonrechter oordeelt dat de bestanden gevoelige en vertrouwelijke informatie bevatten, die in dienst van CBRE zijn ontwikkeld. Dat de bestanden gevoelige en vertrouwelijke informatie bevatten had naar het oordeel van de kantonrechter voor werknemer ook duidelijk kunnen en moeten zijn. Ook had voor hem duidelijk moeten zijn dat hij de bestanden niet buiten de (beveiligde) omgeving van CBRE had mogen brengen. Dat werknemer de bestanden als studiemateriaal beschouwde, verandert daar niets aan. Hij had moeten begrijpen dat hij de bestanden alleen mocht gebruiken zolang hij bij CBRE werkte. Hoewel werknemer de informatie niet buiten de (beveiligde) omgeving van CBRE had mogen brengen, is niet vast komen te staan dat hij in strijd met zijn geheimhoudingsbeding heeft gehandeld. Hij heeft de bestanden naar zijn privémail gestuurd en dat op zich kan niet worden gezien als een overtreding van het geheimhoudingsbeding. Daarvoor is vereist dat werknemer de bestanden met derden heeft gedeeld en dat is niet vast komen te staan. Wel is de vaststellingsovereenkomst door het verzenden van de bestanden naar de privémail van werknemer, onder invloed van dwaling (aan de zijde van CBRE) tot stand gekomen. Hoewel de vso vernietigbaar is, zal de kantonrechter de vso niet vernietigen, maar op het subsidiaire verzoek van CBRE tot wijziging toewijzen. Artikel 5 van de vso wordt aangepast, in die zin dat CBRE de wettelijke transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW aan werknemer zal betalen. Ook artikel 6, 9, 16, en 17 van de vso worden gewijzigd, in de zin dat CBRE de daarin opgenomen vergoedingen niet aan werknemer hoeft te betalen. Onder de gegeven omstandigheden is het voldoende aannemelijk dat CBRE in ieder geval niet, naast de wettelijke transitievergoeding, ook nog een tekenbonus en aanvullend salaris bij (vervroegde) beëindiging van het dienstverband op 1 juli 2025 overeengekomen zou zijn, en ook niet kosten voor juridische bijstand en voor opleiding.
