Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:6073
Feiten
Werkneemster is op 8 juli 2012 in dienst getreden bij Twinss VvE beheer B.V. (hierna: ‘Twinss’) als financieel medewerkster. In die functie had zij toegang tot de financiële administratie en betaalsystemen van Twinss. Werkneemster is in 2021 getrouwd met haar echtgenoot. Twinss heeft werkneemster op 18 februari 2026 op staande voet ontslagen, omdat zij vanaf 2017 tot en met 2026 gelden die voor derden bestemd waren, naar negen op haar naam staande bankrekeningen overmaakte. Twinss heeft op 20 februari 2026 aangifte van diefstal gedaan tegen werkneemster. Twinss heeft in een bodemprocedure onder meer gevorderd om werkneemster en haar echtgenoot hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 612.538,61. Twinss vordert in dit kort geding werkneemster en haar echtgenoot hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 500.000.
Oordeel
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Twinss heeft in februari 2026 ontdekt dat er overboekingen werden gedaan aan derden die wel op de debiteurenkaart stonden, maar dat deze debiteuren de door Twinss betaalde bedragen niet hebben ontvangen. Na onderzoek is gebleken dat werkneemster deze gelden overmaakte naar haar eigen bankrekeningen. Werkneemster heeft erkend geld van Twinss te hebben gestolen. Dit is onrechtmatig en maakt werkneemster schadeplichtig. Twinss heeft niet aannemelijk gemaakt dat ook de echtgenoot van werkneemster onrechtmatig jegens Twinss heeft gehandeld. Aannemelijk is wel dat de echtgenoot ongerechtvaardigd is verrijkt, zoals Twinss stelt (artikel 6:212 lid 1 BW). Dat de echtgenoot er niet van op de hoogte was, of niet had kunnen weten, dat werkneemster diverse goederen aanschafte en op vakantie ging met het gezin van geld dat niet aan haar toebehoorde, is niet aannemelijk. De echtgenoot is op grond van ongerechtvaardigde verrijking aansprakelijk voor de door Twinss geleden schade. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een voorschot van € 300.000 toewijsbaar is. Voor het meerdere is de vordering niet toewijsbaar. In de al aanhangige bodemprocedure moet worden vastgesteld wat het exacte bedrag van de ontvreemding is, omdat gelet op de stellingen van partijen en de overgelegde stukken in dit kort geding niet zonder meer duidelijk is geworden wie het gelijk aan zijn zijde heeft.
