Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 20 februari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1115
Feiten
Werkneemster is per 1 september 2019 in dienst getreden bij werkgever. Werkneemster is in 2024 overleden, na een medisch traject met onder meer immuuntherapie. Tussen partijen is eerder een geschil ontstaan over gelijke beloning, omdat werkneemster van mening was dat een mannelijke collega in een vergelijkbare positie meer verdiende. Werkneemster is inmiddels overleden. Er is, onder meer, een loonvordering ingesteld. Ook is een schadevordering ingesteld.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Formeel is niet vastgesteld wie de erfgenamen zijn, zodat het geding op naam van de oorspronkelijke partij wordt voortgezet overeenkomstig artikel 225 lid 2, tweede volzin Rv. De toon van de communicatie van werkneemster was niet altijd even diplomatiek. Dat wordt ook niet echt betwist. In haar functie moest werkneemster optreden in de internationale kunstwereld. In die positie mocht van haar een zekere mate van diplomatie verwacht worden. Op diplomatiek vlak in de kunstwereld was werkneemster nog niet geheel ervaren. Dat betekent dat werkgever voldoende onderbouwd heeft betwist dat sprake is van ongelijke behandeling, maar dat de lagere salarisinschaling van werkneemster berust op haar onervarenheid. De loonvordering wordt afgewezen. De stelling van werkneemster dat de handelwijze van werkgever als werkgever ervoor heeft gezorgd dat de immuuntherapie mogelijk niet aansloeg, is onvoldoende onderbouwd. Weliswaar heeft werkneemster een nieuwsbericht aangehaald waarin wordt gesteld dat uit onderzoek blijkt dat stress gekoppeld lijkt te zijn aan een verminderde effectiviteit van immuuntherapie en wijst zij verder op het advies van haar behandelend arts dat chronische stress ondermijnend is voor het immuunsysteem. Maar uit deze stukken volgt nog niet dat het niet aanslaan van de therapie bij werkneemster ook veroorzaakt is door de gestelde stress in de uitoefening van haar werkzaamheden. Niet valt uit te sluiten dat dit gelegen is in andere, buiten het werk gelegen oorzaken. Voor een toewijzing van een schadevergoeding op grond van artikel 7:658 BW ziet de kantonrechter dan ook geen grond. Voor zover de vordering tot schadevergoeding gegrond is op een onrechtmatige daad als bedoeld in artikel 6:162 BW, volgt uit het voorgaande tevens dat onvoldoende is gesteld voor het bestaan van een causaal verband tussen de gestelde schade en de gestelde onrechtmatige handelingen. Daarnaast is onvoldoende gesteld dat werkgever door zijn handelwijze heeft gezorgd voor stress. Werkgever betwist namelijk dat werkneemster psychische klachten heeft opgelopen door toedoen van werkgever en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Werkneemster heeft ook niet nader onderbouwd welke psychische schade zij heeft geleden. Verder is voldoende vast komen te staan dat al vóór de diagnose van werkneemster en het starten van de immuuntherapie sprake was van een arbeidsconflict waarin ook werkneemster een aandeel had. Voor zover al sprake was van stress bij werkneemster als gevolg van het arbeidsconflict, kan niet gezegd worden dat dit werkgever volledig te verwijten valt. Uit de overgelegde stukken blijkt bovendien dat werkgever zich in de periode na de volledige ziekmelding van werkneemster heeft gehouden aan zijn re-integratieverplichtingen en dat hij pogingen heeft gedaan het arbeidsconflict op te lossen, bijvoorbeeld door mediation te starten en door een extern HR-contactpersoon en een gespecialiseerd extern re-integratiebureau in te schakelen. Werkneemster wordt in de proceskosten veroordeeld.
