Rechtspraak
Feiten
Werknemer voerde montagewerkzaamheden uit aan de staalconstructie van een kantoorpand in het kader van het project ‘Renovatie en uitbreiding Goede Doelen Loterijen’. De hoofdaannemer van dit project, X, verstrekte voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie van het pand opdracht aan onderaannemer Bentstaal. Bentstaal schakelde vervolgens MBMN in om montagewerkzaamheden aan de staalconstructie uit te voeren. MBMN schakelde op haar beurt weer werknemer in. Op 11 oktober 2017 gleed werknemer tijdens zijn werkzaamheden uit op een gladde betonvloer waar een sliblaag was ontstaan. Hij liep daarbij een dubbele enkelbreuk op. Werknemer stelt dat MBMN en Bentstaal op grond van artikel 7:658 lid 2 jo. lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijk zijn voor de schade die hij hierdoor heeft geleden.
Oordeel
Toepassingsbereik van artikel 7:658 lid 4 BW
Uit de omstandigheden volgt dat werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van MBMN. MBMN was de opdrachtgever van werknemer en vervulde deze rol ook actief (ter plaatse). Het standpunt van MBMN dat X ging over het schoonmaken en vrijgeven van de verdiepingsvloer doet hier niet aan af, omdat voldoende is dat werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid mede afhankelijk was van MBMN. Verder staat niet ter discussie dat de werkzaamheden plaatsvonden in de uitoefening van het beroep en bedrijf van MBMN. Ten aanzien van Bentstaal ligt dit anders. Werknemer stelt op dat punt alleen dat Bentstaal verantwoordelijk was voor het leveren en aanbrengen van de staalconstructie en dat zij verantwoordelijk bleef voor de werkzaamheden die zij in dit kader heeft uitbesteed. Hieruit volgt echter nog niet dat werknemer voor de zorg voor zijn veiligheid (mede) afhankelijk was van Bentstaal. Bentstaal wijst erop dat zij geen actieve rol (ter plaatse) had. Het voorgaande betekent dat niet is komen vast te staan dat Bentstaal invloed had op de werkomstandigheden van werknemer en de daarmee verband houdende veiligheidsrisico’s. Bentstaal valt naar het oordeel van de kantonrechter dan ook niet onder het bereik van artikel 7:658 lid 4 BW.
Schending zorgplicht
Niet ter discussie staat dat werknemer een ongeval is overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden. MBMN is in beginsel aansprakelijk voor de hierdoor geleden schade. MBMN stelt dat zij aan haar zorgplicht als bedoeld in artikel 7:658 lid 1 BW heeft voldaan. De kantonrechter volgt MBMN daarin niet. Hoewel het klopt dat voor alledaagse risico’s geen maatregelen hoeven te worden getroffen, gaat het hier naar het oordeel van de kantonrechter – anders dan MBMN stelt – niet om een alledaags risico. Er is hier – anders dan in het Perez/Grande-arrest – niet alleen regen gevallen, maar ook boorresidu achtergebleven, waardoor een gladde sliblaag is ontstaan. Dit is naar het oordeel van de kantonrechter geen alledaags risico. Bovendien heeft A – naar eigen zeggen – voor dit risico gewaarschuwd. Deze waarschuwing bevestigt dat de sliblaag geen alledaags risico is. Waarom zou A hier anders voor waarschuwen? De kantonrechter oordeelt verder dat MBMN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan door maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig waren ter voorkoming van de verwezenlijking van het valrisico. De kantonrechter is van oordeel dat ook als zou komen vast te staan dat A werknemer heeft gewaarschuwd voor het valrisico en de instructie heeft gegeven de vloer niet te betreden, dat onvoldoende is om aan de zorgplicht te voldoen. MBMN heeft geen preventieve maatregelen genomen, hoewel deze prevaleren boven het geven van instructies en waarschuwingen. MBMN stelt verder dat werknemer bewust roekeloos heeft gehandeld door in strijd met de waarschuwing en instructie van A de vloer te betreden. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Zelfs als komt vast te staan dat werknemer voor het valrisico zou zijn gewaarschuwd en in strijd met de instructie van A de verdiepingsvloer heeft betreden, staat daarmee nog niet vast dat werknemer zich bewust was van het roekeloze karakter van zijn gedraging.
