Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Tilburg), 8 april 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:4281
Feiten
Veel eisers zijn voor 1 maart 1999 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Ericsson Holding International B.V. (hierna: Ericsson). Tussen eisers en hun verschillende Ericsson-werkgevers zijn pensioenovereenkomsten van kracht. De uitvoering is ondergebracht bij NN. In 2010 is Ericsson Nederland via een ontbindingsbesluit opgehouden te bestaan. Per 1 januari 2020 zijn de pensioenen voor het eerst minder dan de CPI geïndexeerd. Vanaf 2021 heeft er in het geheel geen pensioenindexatie meer plaatsgevonden. In maart 2024 hebben eisers geklaagd dat hun pensioenen vanaf 2020 niet zijn verhoogd met de CPI. Eisers hebben het standpunt ingenomen dat Ericsson hoofdelijk aansprakelijk is voor deze verhogingen op grond van door haar afgegeven 403-verklaringen. Eisers vorderen onder meer dat de kantonrechter Ericsson verplicht voor verhoging van de pensioenen van eisers te zorgen.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Eisers hebben de klachtplicht geschonden. Ericsson heeft erop gewezen dat eisers in 2014 zijn geïnformeerd dat de pensioenverhogingen op een zeker moment niet meer zouden kunnen worden betaald. Ook zijn hieromtrent gedurende meerdere jaren brieven gestuurd. De klachtbrief dateert van ruim vier jaar nadat kenbaar was dat niet werd geïndexeerd. Door het tijdsverloop kwalificeert dat niet als klagen binnen bekwame tijd. Dat geldt temeer nu er al ruim daarvoor aankondigingen van c.q. aanwijzingen voor het betreffende gebrek waren. Uit het voorgaande volgt dat eisers naar het oordeel van de kantonrechter de klachtplicht hebben geschonden in zowel het geval dat de indexatieverplichting op Eurolab zou rusten of zou hebben gerust als in het geval dat de indexatieverplichting op EMN64/Ericsson Nederland zou rusten of zou hebben gerust. Dat betekent dat eisers geen beroep meer kunnen doen op het door hen gestelde gebrek in de prestatie (het niet volledig indexeren van hun pensioenen). In artikel 2:403 lid 1 aanhef en onder f BW is bepaald dat de ‘moedermaatschappij’ (in dit geval Ericsson) zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen van de ‘403-rechtspersoon’ (in dit geval Eurolab dan wel EMN64 en Ericsson Nederland) voortvloeiende schulden. Nu uit het voorgaande volgt dat noch Eurolab noch EMN64/Ericsson Nederland nog een schuld heeft aan eisers is er van hoofdelijke aansprakelijkheid van Ericsson jegens eisers ook geen sprake (meer). De vorderingen van eisers worden afgewezen. Eisers worden in de proceskosten veroordeeld.
