Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 12 november 2025
ECLI:NL:RBMNE:2025:6245
Feiten
Werknemer is per 24 juli 2017 in dienst getreden bij MediaMonks B.V. Werknemer is na verschillende stappen gepromoveerd tot Senior Vice President, Growth & Transformation Studio. In augustus 2025 heeft werknemer een voorstel ontvangen van Publicis om daar in dienst te treden. MediaMonks heeft zich op het standpunt gesteld dat het concurrentiebeding zich hiertegen verzet. Werknemer stelt dat het concurrentiebeding niet meer geldig is omdat zijn functie in 2021 en 2024 wezenlijk is gewijzigd. Hij verzoekt de rechter MediaMonks te veroordelen te gehengen en te gedogen dat hij aansluitend aan het einde van zijn arbeidsovereenkomst met MediaMonks in dienst treedt waar hij wil en vordert schorsing van het relatie- en concurrentiebeding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Er is een spoedeisend belang. Niet in geschil is dat Publicis een directe concurrent van MediaMonks is. Het concurrentiebeding is geldig. De kantonrechter deelt het standpunt van MediaMonks dat het enkele feit dat de arbeidsovereenkomst per 1 februari 2021 en 1 april 2024 voor wat betreft de functie en het salaris is gewijzigd, niet maakt dat het concurrentiebeding opnieuw schriftelijk moest worden overeengekomen. Het had werknemer daarom duidelijk kunnen zijn dat het concurrentiebeding na de functiewijzigingen nog steeds op hem van toepassing was. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer zijn stelling dat – kort samengevat – sprake is van een ingrijpende wijziging van de arbeidsverhouding waardoor het concurrentiebeding aanmerkelijk zwaarder is gaan drukken, naar aanleiding van het verweer van MediaMonks onvoldoende nader heeft onderbouwd. Werknemer heeft niet betwist dat hij bij het aangaan van het concurrentiebeding in 2018 al een commerciële functie had en dat hij die nog steeds heeft, alleen op een hoger niveau. Hij heeft ook niet gemotiveerd weersproken dat concurrenten van MediaMonks als Publicis al in 2018 onder de reikwijdte van het concurrentiebeding vielen en dat zijn promoties daar dus geen verandering in hebben gebracht. Werknemer heeft een vergelijking gemaakt met een piramide, waarbij een werknemer met een functielaag in de functionele ladder brede mogelijkheden heeft op de arbeidsmarkt en een werknemer hoog op de functionele ladder smalle mogelijkheden. De kantonrechter is van oordeel dat werknemer onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn belang om niet aan het concurrentiebeding te worden gehouden groter is dan het belang van MediaMonks bij handhaving van dit beding. Werknemer heeft niet toegelicht waarom hij geen gelijkwaardige werkkring zou kunnen vinden bij in-house adverteerders, platforms, technologie- en consultancybedrijven en AI-start-ups, zoals MediaMonks heeft gesteld. Hij heeft naar aanleiding van het verweer van MediaMonks ook onvoldoende weersproken dat hij vanwege zijn hoge salesfunctie beschikt over concurrentiegevoelige informatie, waaronder informatie over pitches, de bedrijfsstrategie en wat nog in de pijplijn zit, en dat dit geen algemeen beschikbare kennis is. De kantonrechter vindt het daarom aannemelijk dat het bedrijfsdebiet van MediaMonks kan worden aangetast als werknemer met deze kennis bij Publicis of een andere concurrent in dienst zou treden en dat deze kennis wereldwijd en voor de volledige duur van het concurrentiebeding – twee jaar – relevant is. De kantonrechter acht het niet aannemelijk dat het geheimhoudingsbeding voldoende zal zijn om het risico van MediaMonks voor aantasting van haar bedrijfsdebiet te ondervangen. MediaMonks heeft erkend dat er bij haar op dit moment sprake is van een reorganisatie en dat zij in uitdagende marktomstandigheden verkeert, maar zij heeft terecht gesteld dat dit niet afdoet aan haar belang om haar bedrijfsdebiet te beschermen. De conclusie luidt daarom dat het niet aannemelijk is dat een bodemrechter het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk zal vernietigen. De vorderingen om het concurrentiebeding geheel of gedeeltelijk te schorsen worden daarom afgewezen. Werknemer wordt in de proceskosten veroordeeld.
