Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgever
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 29 mei 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:3140
Werkgever heeft niet voldaan aan zijn loonbetalingsverplichtingen. Achterstallig loon en overige loonbestanddelen van (ex-)HR-manager worden toegewezen.

Feiten

Werkneemster is van 1 april 2025 tot en met 31 maart 2026 in dienst geweest bij werkgever in de functie van HR-manager. Volgens werkneemster heeft werkgever niet voldaan aan zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, omdat werkneemster niet volledig is betaald en er ook geen eindafrekening van het dienstverband aan haar is verstrekt. Daarnaast stelt werkneemster dat zij vanaf december 2025 niet meer haar volledige loon heeft ontvangen, dat zij in de periode januari tot en met maart 2026 geen loon heeft ontvangen, en dat ook vakantietoeslag, de tegenwaarde in geld van opgebouwde maar niet opgenomen vakantie-uren en reiskosten niet zijn uitbetaald. Werkneemster heeft werkgever meermaals aangeschreven om over te gaan tot betaling van het achterstallig loon, maar betaling is uitgebleven. Tijdens de mondelinge behandeling heeft werkneemster haar vordering gewijzigd, waarbij zij de vordering onder h heeft ingetrokken en de vordering onder k heeft toegevoegd. De vordering onder h zag op afgifte van loonstroken over de periode van 1 februari 2026 tot en met maart 2026 met een dwangsom, hetgeen een eisvermindering betreft. De vordering onder k ziet op afgifte van de eindafrekening van het dienstverband met een dwangsom. De kantonrechter overweegt dat deze eisvermeerdering niet wordt toegelaten, omdat deze niet tijdig bij exploot aan werkgever kenbaar is gemaakt. Werkneemster vordert betaling van achterstallig loon, vakantietoeslag, de tegenwaarde in geld van opgebouwde maar niet opgenomen vakantie-uren en reiskostenvergoeding, alsmede de wettelijke verhoging, de wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. Zij stelt dat zij afhankelijk is van het loon om haar kosten van bestaan te betalen en dat zij momenteel inteert op haar eigen vermogen, dat daardoor opraakt. De loonvordering wordt door werkgever niet weersproken.

Oordeel

De kantonrechter verleent tegen werkgever verstek en stelt vast dat werkneemster een spoedeisend belang heeft, omdat zij aanspraak maakt op loon waarvan zij afhankelijk is om haar kosten van bestaan te betalen. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de eisvermindering, maar niet met de eisvermeerdering. Uit de onweersproken stellingen van werkneemster volgt dat zij in de periode van april 2025 tot en met maart 2026 in dienst is geweest bij werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van HR-manager. De kantonrechter gaat ervan uit dat werkneemster over december 2025 te weinig loon heeft ontvangen en over de maanden januari tot en met maart 2026 geen loon heeft ontvangen. De gevorderde bedragen worden daarom toegewezen. Ook de vorderingen met betrekking tot vakantietoeslag, de tegenwaarde in geld van opgebouwde maar niet opgenomen vakantie-uren en reiskostenvergoeding worden toegewezen, omdat deze onweersproken zijn gebleven. Omdat werkgever niet tijdig aan zijn loonbetalingsverplichting heeft voldaan, is hij de wettelijke verhoging verschuldigd over het achterstallig loon en de overige loonbestanddelen, waarbij geen aanleiding bestaat voor matiging. De wettelijke rente wordt eveneens toegewezen, evenals de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, omdat voldoende is gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht.