Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 april 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5564
Feiten
Werkneemster is op 15 november 2007 in dienst getreden bij de Gemeente Hoeksche Waard (hierna: de gemeente). Op 9 oktober 2025 is werkneemster op staande voet ontslagen. Werkneemster heeft voor haar eigen onderneming vanaf 10 juni 2025 een opdracht voor 24 uur per week geaccepteerd. Dit heeft zij op 2 juli 2025 aan de gemeente gemeld. Vervolgens heeft zij op het formulier dat voor dergelijke meldingen bij de gemeente wordt gebruikt ingevuld dat deze opdracht maar voor acht uur per week was. De gemeente heeft op meerdere momenten in de periode van 2 juli 2025 tot 8 oktober 2025 vragen gesteld over deze opdracht. Toen in oktober 2025 bekend werd dat werkneemster deze werkzaamheden voor 24 uur per week deed (volgens de gemeente ook op dagen waarop zij volgens haar agenda werkzaam was bij de gemeente), is werkneemster op staande voet ontslagen. Tussen partijen is in geschil of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor de gemeente is de kern van haar verwijt dat werkneemster een forse nevenbetrekking heeft aanvaard, waarover zij desgevraagd geen openheid heeft gegeven en zelfs valselijk heeft verklaard. Werkneemster verrichtte al sinds 2022 regelmatig nevenwerkzaamheden bij verschillende opdrachtgevers. Zij heeft dit altijd bij de gemeente gemeld, op de daarvoor binnen de gemeente voorgeschreven manier. De gemeente heeft dit ook altijd goedgekeurd. Daarbij werden door de gemeente ook altijd duidelijk de kaders voor nevenwerkzaamheden geschetst. Juist omdat werkneemster dus al eerder nevenwerkzaamheden had verricht en wist welke voorwaarden hiervoor golden, valt niet in te zien waarom zij nu opzettelijk en herhaaldelijk onjuiste informatie heeft verstrekt dan wel heeft verzwegen, waar haar meerdere keren is gevraagd om informatie te geven. Door doelbewust en op meerdere momenten in de tijd valse informatie te verstrekken, is werkneemster zodanig tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst dat sprake is van een dringende reden. Werkneemster heeft het vertrouwen van haar werkgever verloren en van de gemeente hoefde na een periode van ruim drie maanden niet te worden verwacht dat zij werkneemster nog meer tijd gaf of volstond met een waarschuwing. Het ontslag op staande voet is terecht gegeven. Werkneemster dient een gefixeerde schadevergoeding aan de gemeente te betalen. Deze wordt gematigd tot de wettelijke ondergrens, zijnde de wettelijke opzegtermijn van één maand. In die beslissing spelen onder meer een rol de duur van de arbeidsovereenkomst (bijna achttien jaar) en de manier waarop werkneemster haar werk heeft verricht en is beoordeeld. Werkneemster heeft geen recht op de transitievergoeding.
