Naar boven ↑

Rechtspraak

appellant/Koninklijke Nederlandse Lawn Tennis Bond
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 12 mei 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1246
Hoewel scheidsrechter voldoet aan het rechtsvermoeden, oordeelt het hof dat door grote vrijheid om inzet te weigeren en het ontbreken van een verplichting tot arbeid sprake is van een vrijwilligersovereenkomst en geen arbeidsovereenkomst.

Feiten

X is geruime tijd actief als scheidsrechter bij (professionele) tenniswedstrijden. Tussen X en de KNLTB is een geschil ontstaan over de vraag of tussen hen een vrijwilligersovereenkomst of arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. In eerste aanleg heeft X aangevoerd dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en de kantonrechter verzocht om de opzegging van de arbeidsovereenkomst te vernietigen. Daarnaast heeft X verzocht de KNLTB te veroordelen hem toe te laten tot zijn werkzaamheden. In de bestreden beschikking heeft de kantonrechter de verzoeken van X afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. Tegen dit oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt X in hoger beroep op.

Oordeel

De kern van het geschil ziet op de vraag of tussen X en de KNLTB een vrijwilligersovereenkomst of een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Het hof zal eerst ingaan op de vraag of X een geslaagd beroep kan doen op het rechtsvermoeden uit artikel 7:610a BW. Vervolgens zal het hof beoordelen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen en hoe de overeenkomst moet worden gekwalificeerd. Bij het beantwoorden van de vraag of X een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden toekomt, wordt gekeken naar de toernooien waarop X ten behoeve van de KNLTB arbeid heeft verricht en waarvoor X van de KNLTB een beloning heeft ontvangen. Het hof overweegt dat is voldaan aan het urencriterium, zoals opgenomen in artikel 7:610a BW. X heeft in hoger beroep nadere overzichten overgelegd, waarin hij heeft opgenomen hoeveel uren hij in de jaren 2010 tot en met 2024 als scheidsrechter is opgetreden. Uit de overzichten volgt dat X in ieder geval in de jaren 2012 tot en met 2014 en de jaren 2017 tot en met 2022 aaneengesloten periodes van drie tot zes maanden ten minste twintig uren per maand arbeid ten behoeve van de KNLTB heeft verricht. De KNLTB heeft dit niet voldoende concreet weersproken, zodat dit is komen vast te staan. Daarnaast heeft X een beloning (een dagvergoeding) voor de door hem verrichte arbeid van de KNLTB ontvangen. De vervolgvraag is of de tussen partijen gesloten overeenkomst kwalificeert als een vrijwilligersovereenkomst of als een arbeidsovereenkomst. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad valt de vraag hoe een arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd uiteen in twee fases. In de eerste fase moet het hof aan de hand van de Haviltex-maatstaf vaststellen welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. In de tweede fase vindt kwalificatie van de overeenkomst plaats.

Overeengekomen rechten en verplichtingen

Voor de scheidsrechters die worden ingezet door de KNLTB gelden het Reglement Arbitrage, de gedragscode en het Reglement Fair Play. Partijen zijn overeengekomen dat werknemer ten behoeve van de KNLTB werkzaamheden op het gebied van arbitrage verricht. Werknemer gaf zijn beschikbaarheid door aan de KNLTB. Het hof volgt X niet in zijn betoog dat op hem de verplichting rustte om een minimale beschikbaarheid op te geven. Een eenmaal opgegeven beschikbaarheid kon X bovendien wijzigen of intrekken. Het hof stelt verder vast dat partijen zijn overeengekomen dat X de werkzaamheden persoonlijk diende te verrichten. Wanneer X werkzaamheden voor de KNLTB verrichtte, diende hij een declaratie in.

Kwalificatie overeenkomst

In het licht van alle feiten en omstandigheden overweegt het hof dat de overeenkomst niet kwalificeert als een arbeidsovereenkomst. In de kern onderscheidt een vrijwilligersovereenkomst zich ten opzichte van een arbeidsovereenkomst in de omstandigheid dat de vrijwilliger niet verplicht kan worden tot het verrichten van de arbeid. Dat is ook hier het geval. Het hof acht van doorslaggevend belang dat op X geen verplichting rustte om zich beschikbaar te stellen. Ook uit het afmeldbeleid van de KNLTB blijkt een grote vrijheid voor de betrokken scheidsrechters. X kon zonder consequenties zijn beschikbaarheid wijzigen of intrekken. Dat X instructies ontving die voortvloeien uit de reglementen en gedragscode, maakt niet dat sprake is van een gezagsverhouding en X dus in dienst van de KNLTB was. X kon de werkzaamheden op de betreffende toernooien volledig zelfstandig verrichten. Het ontvangen van algemene instructies is in dit geval duidelijk gekoppeld aan het behoud van de kwaliteit van de arbitrage in het algemeen. Ook het op peil houden van vakkennis en het faciliteren van het volgen van opleidingen past binnen het kader van de vrijwilligersovereenkomst. Het behouden van de kennis is inherent aan het optreden als scheidsrechter. De omstandigheid dat de KNLTB scheidsrechters bij internationale toernooien voordraagt, laat een nauwe samenwerking met de toernooiorganisaties zien. De beslissingsbevoegdheid voor de inzet van de scheidsrechters ligt echter bij de toernooiorganisaties die ook de beloningen betalen en niet bij de KNTLB. Deze omstandigheden zijn daarom niet van doorslaggevende betekenis bij de beantwoording van de vraag of de overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden gekwalificeerd. Het hof acht verder van belang dat X slechts een beperkte beloning van de KNLTB voor zijn werkzaamheden als scheidsrechter (op hoog niveau) ontving. De omstandigheden dat het werk van scheidsrechter is ingebed in de organisatie en dat vast is komen te staan dat op X de verplichting rustte om de arbeid waarvoor hij op eigen opgave was ingeroosterd ook persoonlijk te verrichten wegen niet op tegen de belangrijkste overeengekomen afspraak, namelijk: dat het aan X was om zich wel, niet of (ondanks inroostering) niet meer als scheidsrechter beschikbaar te stellen. Verder overweegt het hof dat X heeft nagelaten toe te lichten hoe de overeenkomst in 2010 tot stand is gekomen. Het hof sluit daarom aan bij de stelling van de KNTLB dat de afspraken die zijn gemaakt zijn vastgelegd in de Vrijwilligersovereenkomst arbitrage. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de KNTLB het aangenomen rechtsvermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst voldoende heeft weerlegd. X heeft daartegenover onvoldoende gesteld om een arbeidsovereenkomst aan te nemen. Het hof oordeelt dat tussen partijen een vrijwilligersovereenkomst bestond. Het hof komt dan ook niet toe aan het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de KNLTB.