Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 13 mei 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:4708
Finale kwijting in ondertekende vaststellingsovereenkomst ziet ook op in vaststellingsovereenkomst opgenomen bepalingen omtrent beëindigingsvergoeding. Aan inhoudelijke beoordeling geschil over berekening beëindigingsvergoeding wordt niet toegekomen.

Feiten

Werknemer is van 1 juni 2014 tot 1 januari 2017 en van 1 juni 2018 tot 1 augustus 2025 in dienst geweest van (een rechtsvoorganger van) werkgeefster. In februari 2025 heeft werkgeefster werknemer en alle andere werknemers van de vestiging een vaststellingsovereenkomst aangeboden vanwege de sluiting van de vestiging. In de vaststellingsovereenkomst is een beëindigingsovereenkomst opgenomen op basis van zijn dienstverband van 1 juni 2018 tot 1 augustus 2025 en een tekenbonus. Op de vaststellingsovereenkomst is een sociaal plan van toepassing, waarin onder andere is bepaald hoe de beëindigingsvergoeding moet worden berekend en wat er onder ‘dienstjaren’ moet worden begrepen. Werknemer heeft bij werkgeefster geklaagd over de in de vaststellingsovereenkomst genoemde beëindigingsvergoeding, omdat deze volgens werknemer door een onjuiste toepassing van het begrip ‘dienstjaren’ te laag zou zijn. Werkgeefster heeft de vergoeding niet aangepast. Op 28 februari 2025 heeft werknemer de vaststellingsovereenkomst ondertekend. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat werkgeefster bij de berekening van de hoogte van de beëindigingsvergoeding ook zijn eerdere dienstverband dient mee te nemen en veroordeling van werkgeefster tot verhoging van de beëindigingsvergoeding met € 19.197,59 bruto.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen twisten over de vraag of de finale kwijting die is overeengekomen ook ziet op de (hoogte van de) beëindigingsvergoeding. De kantonrechter acht van belang dat partijen voor het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben gediscussieerd over de hoogte en wijze van berekening van de beëindigingsvergoeding, waardoor deze kwestie bij beide partijen ten tijde van de ondertekening bekend was. Indien werknemer, die voorafgaand en tijdens het tekenen van de vaststellingsovereenkomst juridische bijstand had van zijn gemachtigde, van mening was dat deze kwestie over de beëindigingsvergoeding was uitgezonderd van de finale kwijting, dan had het op zijn weg gelegen om dat als voorbehoud op te nemen bij het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Nu werknemer geen voorbehoud heeft gemaakt, terwijl de kwestie wel onderdeel was van de onderhandelingen, mocht werkgeefster er redelijkerwijs met de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst door werknemer en op grond van de in deze vaststellingsovereenkomst opgenomen finale kwijting van uitgaan dat werknemer niet langer vasthield aan zijn standpunt dat de daarin vermelde beëindigingsvergoeding onjuist was en hij zijn aanspraak wilde behouden op een herberekening. De stelling van werknemer dat hij de vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend om aanspraak te behouden op de tekenbonus, maakt dat niet anders. Ook dan had werknemer immers een voorstel tot het door hem gewenste voorbehoud kunnen doen en, in het geval werkgeefster daar niet mee akkoord zou gaan, had werknemer de keuze om voor de tekenbonus te gaan of de, in zijn ogen, hogere beëindigingsvergoeding op grond van het sociaal plan. De kantonrechter is al met al van oordeel dat de finale kwijting ook ziet op de in de vaststellingsovereenkomst opgenomen bepalingen omtrent de beëindigingsvergoeding. Aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil wordt niet toegekomen. Afwijzing van de vorderingen volgt.