Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemers/Albert Heijn B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Zaanstad), 2 mei 2024
ECLI:NL:RBNHO:2024:14329
Gevorderde verklaring voor recht werknemers van Albert Heijn B.V. dat sprake is van een verboden onderscheid op grond van arbeidsduur afgewezen. Het onderscheid naar arbeidsduur bij de toekenning van roostervrije seniorendagen is objectief gerechtvaardigd.

Feiten

Werknemers zijn al jarenlang in dienst van Albert Heijn B.V. (hierna: AH) in de functie van magazijnmedewerker of cockpitmedewerker en zijn allen ouder dan 45 jaar. Werknemers kunnen uitgaande van de Cao Logistiek AH (hierna: cao) geen aanspraak maken op de RSD-regeling, een regeling dat er voor medewerkers van 49 jaar en ouder geen verplichting meer bestaat om in nachtdienst te werken, omdat zij tussen de 96 en 128 uur per periode van vier weken werkzaam zijn en dus géén arbeidsomvang van meer dan 128 uur per periode van vier weken hebben. Het CRM heeft geoordeeld dat in de cao een niet gerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt naar arbeidsduur, doordat de RSD-regeling alleen extra roostervrije dagen toekent aan werknemers met contracten van meer dan 128 uur. Werknemers vorderen een verklaring voor recht dat AH tegenover hen verboden onderscheid op grond van arbeidsduur heeft gemaakt door roostervrije seniorendagen alleen toe te kennen aan werknemers met een contract van meer dan 128 uur per periode van vier weken. AH voert aan dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De RSD-regeling levert geen verboden onderscheid op grond van arbeidsduur op, omdat het onderscheid objectief gerechtvaardigd is. De kantonrechter neemt tot uitgangspunt dat hij de vraag over de RSD-regeling met terughoudendheid moet beoordelen, daar aan de sociale partners moet worden overgelaten om het evenwicht te beoordelen tussen de verschillende belangen. De kantonrechter volgt werknemers niet in het standpunt dat de genoemde terughoudendheid alleen aan de orde is als blijkt dat de sociale partners tijdens het overleg hebben beoordeeld of het onderscheid objectief gerechtvaardigd is. Bovendien blijkt uit door AH ingebrachte verklaringen dat de RSD-regeling wel is besproken. Naar het oordeel van de kantonrechter dient de RSD-regeling een legitiem doel, namelijk het bijdragen aan het fysiek en mentaal herstel van oudere medewerkers. Dat deeltijders zijn uitgezonderd doet volgens de kanonrechter niet af aan het legitieme doel als zodanig. Uit door AH ingebrachte stukken volgt dat een kortere werkweek een positief effect heeft op de gezondheid en inzetbaarheid van vooral oudere werknemers. De kantonrechter vindt de RSD-regeling gelet op deze rapporten passend. De kantonrechter volgt AH in haar standpunt dat er geen alternatief beschikbaar is dat minder onderscheidend is. Uit een ingebracht rapport volgt immers dat het risico op fysieke en mentale overbelasting aanzienlijk afneemt indien de arbeidsduur wordt teruggebracht naar 80%. Dat betekent dat er voor werknemers die vier of minder dagen werken geen noodzaak is voor extra roostervrije dagen. Het naar rato toepassen van de RSD-regeling is dus niet noodzakelijk en zou afbreuk doen aan het doel van de regeling. Dat sommige deeltijders ook behoefte kunnen hebben aan extra rust of herstel doet niet af aan de conclusie uit het rapport. Werknemers kunnen om uiteenlopende redenen kiezen voor deeltijdwerk en er kan een grote verscheidenheid zijn aan bezigheden die deeltijders naast hun werk hebben. De kantonrechter ziet niet in dat dergelijke omstandigheden een rol zouden kunnen spelen bij de noodzaak van de RSD-regeling. Bovendien krijgen werknemers die niet in aanmerking komen voor de RSD-regeling extra leeftijdgerelateerde vakantie-uren en meer ADV-uren. De omstandigheid dat werknemers om een urenuitbreiding zouden hebben gevraagd speelt op zichzelf geen rol bij de beoordeling van de RSD-regeling, en ook die stelling is niet onderbouwd. Werknemers worden in de proceskosten veroordeeld.