Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:5572
Feiten
Werkneemster is op 1 juni 2024 in dienst getreden bij Bilfinger Shared Services B.V. (hierna: Bilfinger) op basis van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar. Partijen hebben afgesproken dat Bilfinger de studieschuld van in totaal € 26.470, die werkneemster bij haar vorige werkgever had, zou overnemen en aan werkneemster zou vergoeden. In het studiekostenbeding is een terugbetalingsverplichting opgenomen. Ook is opgenomen dat deze terugbetalingsverplichting vervalt indien “de dienstbetrekking op initiatief van werkgever wordt beëindigd. Indien de dienstbetrekking wordt beëindigd door de werkgever vanwege onvoldoende functioneren of wanprestatie van de werknemer is de terugbetalingsverplichtingsregeling wel van toepassing”. Op 16 maart 2025 heeft Bilfinger schriftelijk aangezegd dat de arbeidsovereenkomst van werkneemster niet wordt verlengd en dat haar dienstverband daarom op 1 juni 2025 van rechtswege eindigt. Volgens Bilfinger moet werkneemster op grond van de afgesproken studiekostenregeling een deel van de studiekosten terugbetalen. Dat heeft werkneemster niet gedaan. In deze procedure eist Bilfinger dat de kantonrechter voor recht verklaart dat werkneemster wanprestatie heeft gepleegd (toerekenbaar tekort is geschoten) en dat zij veroordeeld wordt haar verplichtingen uit de studiekostenregeling na te komen, namelijk betaling van 50% van de studieschuld verminderd met de transitievergoeding. Ook vordert Bilfinger dat werkneemster wordt veroordeeld tot betaling van een boete van de leasemaatschappij van € 138,97 en de advocaatkosten van Bilfinger. Werkneemster vordert op haar beurt betaling van de transitievergoeding, een bonus, een vergoeding voor de juridische kosten en een immateriële schadevergoeding van € 10.000 wegens smaad.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. Een van de belangrijkste punten waarover Bilfinger en werkneemster van mening verschillen, is de vraag of de terugbetalingsverplichting is komen te vervallen als gevolg waarvan werkneemster de studiekosten niet aan Bilfinger hoeft terug te betalen. Meer in het bijzonder verschillen partijen van mening over de uitleg van de bewoordingen ‘op initiatief van de werkgever’. Bilfinger stelt zich op het standpunt dat onder een ‘beëindiging van de dienstbetrekking op initiatief van de werkgever’ niet mede kan worden verstaan een beëindiging van rechtswege. Werkneemster heeft ook aangevoerd dat, als zij wél zou hebben begrepen dat dit was wat Bilfinger met de betreffende bepaling bedoelde, zij de studiekostenregeling niet zou zijn aangegaan en mogelijk zelfs niet bij Bilfinger in dienst zou zijn getreden. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt in dit geval zwaar dat de studiekostenregeling is opgesteld door Bilfinger en het op haar weg had gelegen werkneemster duidelijk uit te leggen dat met het beding beoogd werd dat ook bij een einde van de arbeidsovereenkomst van rechtswege de studiekosten zouden moeten worden terugbetaald. Dit geldt temeer omdat deze beoogde strekking niet duidelijk en expliciet uit de tekst van de studiekostenregeling bleek. Bilfinger heeft dat niet gedaan. Onder die omstandigheden mocht werkneemster redelijkerwijze veronderstellen dat de studiekosten niet geheel of gedeeltelijk zouden worden teruggevorderd als Bilfinger zou besluiten om de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten. Het gevolg is dat Bilfinger aan het studiekostenbeding geen rechten kan ontlenen om de studiekosten terug te vorderen en dat de vorderingen van Bilfinger die hierop zagen wordt afgewezen. Dit betekent ook dat Bilfinger de wettelijke transitievergoeding ten onrechte heeft verrekend met het bedrag aan studiekosten dat bij werkneemster in rekening is gebracht. Daarom moet Bilfinger de transitievergoeding alsnog aan werkneemster betalen. Daarnaast moet Bilfinger een bonus van € 2.143,75 bruto aan werkneemster betalen. In de arbeidsovereenkomst is namelijk bepaald dat de werknemer recht heeft op een bonus van ten hoogste een half brutomaandsalaris exclusief vakantietoeslag indien de individuele doelen zijn behaald. Dat met werkneemster bij de aanvang van haar dienstverband geen doelen zijn afgesproken, is een eigen keuze van Bilfinger die in haar risicosfeer ligt als werkgeefster. Bilfinger stelt nog dat op grond van de arbeidsovereenkomst de bonus niet hoeft te worden uitbetaald indien de werknemer niet zoals van hem verwacht mag worden functioneert en dat deze situatie zich voordoet, maar Bilfinger heeft onvoldoende onderbouwd en aangetoond dat dit aan de orde is. De vordering van werkneemster inzake de immateriële schadevergoeding wordt afgewezen, nu werkneemster haar stelling dat Bilfinger zich schuldig heeft gemaakt aan smaad onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering van Bilfinger inzake vergoeding van de boete van de leasemaatschappij van € 138,97 wordt wel toegewezen, omdat werkneemster niet heeft betwist dat de verkeersboete is opgelegd op het moment dat zij de auto in gebruik had. Tot slot wordt de eis tot vergoeding van advocaatkosten over en weer afgewezen en dienen partijen ieder de eigen proceskosten te dragen.
