Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 26 mei 2026
ECLI:NL:GHDHA:2026:1759
Werkgeefster heeft geen voldoende overtuigend bewijs aangeleverd dat werknemer geld uit de kassa heeft weggenomen. Arbeidsovereenkomst is ten onrechte op de e-grond ontbonden.

Feiten

Werkgeefster exploiteert een slagerij. Zij heeft werknemer op enig moment beschuldigd van het wegnemen van geld uit de kassa door middel van het aanslaan van minbonnen. Ten aanzien hiervan loopt zowel een civiele ontbindingsprocedure als een strafrechtelijke procedure tegen werknemer. In onderhavige civiele procedure heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst van werknemer ontbonden wegens (ernstig) verwijtbaar handelen. Werknemer is tegen deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Inmiddels heeft het hof een vijfde tussenbeschikking gewezen. In de eerste tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat werknemer heeft erkend dat hij voor een aanzienlijk bedrag aan minbonnen heeft aangeslagen, zonder dat daarvoor een zakelijke reden was. Werknemer gaf daarvoor als verklaring dat hij de minbonnen op instructie van werkgeefster heeft aangeslagen, zodat zij het personeel af en toe zwart zou kunnen betalen. Werkgeefster heeft dit echter ontkend. Hierna hebben daarom getuigenverhoren plaatsgevonden. In de derde tussenbeschikking heeft het hof overwogen dat op basis van de getuigenverklaringen nog niet kan worden vastgesteld of werknemer is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Wel komt uit de getuigenverklaringen naar voren dat werkgeefster sommige van haar werknemers af en toe uitbetaalde in zwart geld. In de vierde tussenbeschikking is een forensisch registeraccount als deskundige benoemd. Aan hem is gevraagd op basis van de financiële gegevens van werkgeefster uit te zoeken op welke wijze en in welke mate contante betalingen zijn gedaan aan het personeel, of er een relatie bestaat tussen die betalingen en de geldbedragen die op de minbonnen worden vermeld en of op basis van de financiële gegevens vastgesteld kan worden of werknemer geld ter zake van de minbonnen in eigen zak heeft gestoken. Op 15 september 2025 heeft de deskundige zijn definitieve rapport uitgebracht. Hieruit volgt dat er geen relatie bestaat tussen de contante betalingen die geboekt zijn en de geldbedragen die op de minbonnen worden vermeld, maar ook dat niet vastgesteld kan worden dat werknemer geld ter zake van de minbonnen in eigen zak heeft gestoken. Ook heeft de deskundige vastgesteld dat er sinds 2009 een ‘potje eigen gebruik personeel’ met contant geld bestaat dat ‘buiten de boeken om’ wordt gehouden. Werknemer heeft vervolgens aangevoerd dat de verklaring van werkgeefster over de contante betalingen en het ‘potje’ niet consistent zijn en van elkaar verschillen in de civiele procedure en de strafrechtelijke procedure. Ook heeft werknemer erop gewezen dat de politierechter hem heeft vrijgesproken. Over dit ‘potje’ heeft werkgeefster aangevoerd dat dit voor haar valt onder de noemer ‘eigen privégeld’ en dat zij dus naar waarheid heeft verklaard dat zij sporadisch overwerk uit privégeld heeft voldaan.

Oordeel

Op grond van het deskundigenbericht en de stellingen die partijen daarna hebben aangevoerd, is het hof van oordeel dat werknemer het (voorshands door werkgeefster geleverde) bewijs dat hij het geld in eigen zak heeft gestoken, heeft ontzenuwd. Uit het deskundigenrapport volgt dat werkgeefster inkomsten uit de slagerij buiten de boeken heeft gehouden en daarmee (onder meer) personeel contant heeft uitbetaald. Om welke bedragen het ging en welke betalingen werkgeefster daarmee deed, is niet meer met enige mate van zekerheid vast te stellen. Naar het oordeel van het hof heeft werkgeefster de stellingen van werknemer onvoldoende gemotiveerd betwist. Dit heeft tot gevolg dat de volle bewijslast weer op werkgeefster is komen te rusten. Werkgeefster heeft geen voldoende overtuigend bewijs geleverd dat werknemer het geld in eigen zak heeft gestoken. Zo zijn er in de getuigenverklaringen niet of nauwelijks aanknopingspunten te vinden voor de juistheid van die stelling. De getuigen verklaren weliswaar dat zij slechts sporadisch contant betaald kregen, maar die omstandigheid neemt niet weg dat werkgeefster aanvankelijk niet het achterste van haar tong heeft laten zien over de herkomst van dat contante geld. De conclusie is dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten oprechte op de e-grond heeft ontbonden. Het gevolg daarvan is dat het hof moet beoordelen of de arbeidsovereenkomst dan op de g- of i-grond had kunnen worden ontbonden. Het hof is van oordeel dat de arbeidsverhouding reeds in 2022 ernstig was verstoord als gevolg van de beschuldigingen over en weer over het al dan niet wegnemen van geld. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst dus behoren te ontbinden op grond van de g-grond. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan werknemer is geen ruimte, nu werknemer niet heeft bewezen dat werkgeefster ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat werkgeefster aanvankelijk het bestaan van ‘het potje’ heeft verzwegen en niet kan bewijzen dat werknemer het geld van de minbonnen heeft weggenomen, betekent nog niet dat vaststaat dat werkgeefster werknemer ten onrechte heeft beschuldigd. Ter verduidelijking: er is sprake van een situatie waarin werkgeefster niet kan bewijzen dat werknemer het geld heeft weggenomen, maar werknemer ook niet kan bewijzen dat werkgeefster hem ten onrechte heeft beschuldigd. Werknemer kan wel aanspraak maken op een transitievergoeding. Nu hij de door werkgeefster gestelde hoogte hiervan heeft betwist, zal werknemer in de gelegenheid worden gesteld een (nieuwe) berekening van de transitievergoeding te maken. Ook wordt werknemer in de gelegenheid gesteld een deel van zijn verzoek inzake het achterstallig salaris nader te onderbouwen, nu drie onderdelen van dit verzoek door werkgeefster zijn weerlegd met een eigen berekening.