Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 27 december 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:10478
Feiten
Werknemer is per 7 april 2014 bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van accountmanager. Werkgeefster is een landelijke koffiebrander. In de arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding, een concurrentiebeding en een relatiebeding opgenomen. De arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is door werkgeefster niet verlengd. Bij brief van 4 maart 2016 heeft Jacobs Douwe Egberts (hierna: Douwe Egberts) werknemer een aanbod gedaan tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van een jaar ingaande op 15 april 2016 in de functie van accountmanager. Werkgeefster houdt werknemer aan zijn concurrentiebeding en geeft geen toestemming bij Douwe Egberts in dienst te treden. De kantonrechter heeft in kort geding geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat in een bodemprocedure tot vernietiging dan wel schorsing van het concurrentiebeding c.q. relatiebeding zal worden overgegaan. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter heeft werkgeefster haar zwaarwegende bedrijfsbelangen voldoende gemotiveerd. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het hanteren van het concurrentiebeding niet buiten proportie is ten opzichte van het doel dat werkgeefster daarmee wil dienen, te weten bescherming van bedrijfsgevoelige informatie. Werknemer heeft hoger beroep ingesteld.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt. In de meest recente arbeidsovereenkomst tussen partijen is onder het concurrentie- en relatiebeding opgenomen dat werkgeefster bij de bedingen een zwaarwichtig belang heeft. Vermeld is: “Aangezien werknemer vanuit zijn functie als Accountmanager in aanmerking komt met zeer vertrouwelijke informatie over werkgever en contact heeft met relaties van het bedrijf en kennis neemt van cijfers, marges, strategieën, prijsafspraken, etc.” Formeel gezien heeft werkgeefster hiermee voldaan aan het motiveringsvereiste van artikel 7:653 lid 2 BW. Vervolgens moet worden beoordeeld of met voldoende mate van zekerheid te verwachten valt dat in een bodemprocedure het concurrentiebeding op grond van artikel 7:653 lid 3 sub a BW geheel of gedeeltelijk zal worden vernietigd, omdat dit beding niet noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. Het hof overweegt in dit kader het volgende. Werknemer heeft als accountmanager bij werkgeefster de beschikking gekregen over concurrentiegevoelige informatie. Tussen partijen is niet in geschil dat werkgeefster en Douwe Egberts opereren in de koffiebranche in de breedste zin van het woord. Het hof acht het vooralsnog geenszins denkbeeldig dat de concurrentiegevoelige informatie waarvan werknemer uit hoofde van zijn functie als accountmanager bij werkgeefster kennis heeft genomen, bij indiensttreding bij Douwe Egberts bekend zal worden en zal worden gebruikt om klanten van werkgeefster tot een overstap bij Douwe Egberts te bewegen. Dit brengt mee dat handhaving van het concurrentiebeding vanwege de zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen van werkgeefster noodzakelijk is. Het hof overweegt voorts dat werknemer niet onbillijk wordt benadeeld als bedoeld in artikel 7:653 lid 3 sub b BW. Zo heeft werknemer niet aannemelijk gemaakt dat hij bij handhaving van het concurrentiebeding onvoldoende mogelijkheden heeft om een andere baan te vinden. Hij heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat er binnen een straal van 75 kilometer van zijn woonplaats honderden vacatures voor accountmanagers zijn waarvoor hij in aanmerking zou kunnen komen. Hij wordt daarom door het concurrentiebeding niet op ernstige wijze in zijn recht op een vrije arbeidskeuze beperkt. Daarbij komt dat werkgeefster en Douwe Egberts intensieve concurrenten van elkaar zijn en werknemer bij werkgeefster een bij uitstek commerciële functie had die was gericht op het behouden en uitbouwen van klanten. De beslissing van de kantonrechter om de vordering tot schorsing van het concurrentiebeding af te wijzen blijft in stand. Bekrachtiging van het vonnis in eerste aanleg volgt.
