Rechtspraak
Gerechtshof 's-Hertogenbosch (Locatie 's-Hertogenbosch), 7 mei 2026
ECLI:NL:GHSHE:2026:1185
Feiten
Werkneemster (geboren 1984) heeft seizoensarbeid verricht voor werkgever (sorteren van aardappelen) op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten. Op 23 april 2024 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt vanwege een bedrijfsongeval. Zij werd aangereden door een heftruck en heeft daarbij haar been gebroken. In oktober 2024 heeft werkneemster zich opnieuw ziek gemeld, vanwege een arbeidsconflict tussen haar en een collega. Daarna is zij naar Polen vertrokken. Per brief van 12 november 2024 heeft werkgever aan werkneemster aangezegd dat de op 1 januari 2024 ingegane arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd en dat deze daarom eindigt op 31 december 2024. De kantonrechter heeft geoordeeld dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en de aanzegging een onterechte opzegging is. De loonvordering is evenwel afgewezen omdat werkneemster zich niet beschikbaar heeft gehouden voor werkzaamheden. Tegen dit oordeel keert werkneemster zich in hoger beroep, stellende dat zij arbeidsongeschikt is.
Oordeel
Het hof oordeelt als volgt.
Ontbreken 629a-verklaring staat aan loonvordering in de weg
Ingevolge artikel 7:629 BW heeft een werknemer - kort gezegd - recht op loon bij ziekte. Op grond van het bepaalde in artikel 7:629a lid 1 BW wijst de rechter een vordering tot betaling van loon als bedoeld in artikel 7:629 BW af, indien bij de eis geen verklaring is gevoegd van een deskundige, benoemd door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten respectievelijk diens nakoming van de verplichtingen, bedoeld in artikel 7:660a BW. Werkneemster had daarom in beginsel, op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in haar verzoek, een dergelijke verklaring bij het indienen van haar loonvordering tegen werkgever bij de kantonrechter over moeten leggen. Zij heeft dat echter niet gedaan. In hoger beroep kan zij dat verzuim niet herstellen en dat heeft zij ook niet gedaan, nu zij ook in hoger beroep geen deskundigenverklaring over heeft gelegd.
Op grond van artikel 7:629a lid 2 BW gaat het voorgaande niet op indien de verhindering om de arbeid te verrichten wegens ziekte niet door werkgever wordt betwist. Het hof is van oordeel dat er, gelet op wat werkgever op dit punt heeft aangevoerd, wel degelijk sprake is van een verschil van mening over de vraag of werkneemster arbeidsongeschikt is om haar werk bij werkgever te verrichten ten gevolge van ziekte. Ook in eerste aanleg heeft werkgever betwist dat werkneemster arbeidsongeschiktheid is: “Als ze nu zegt dat ze arbeidsongeschikt is, dan begrijpt werkgever niet wat er aan de hand is. Ze is op eigen gelegenheid afgereisd naar Polen. Mevrouw had een deskundigenoordeel aan haar verzoekschrift moeten toevoegen waaruit blijkt dat ze arbeidsongeschikt is. De arbeidsongeschiktheid wordt door werkgever betwist.”
Gelet op de informatie van de bedrijfsarts dat werkneemster op 31 december 2024 hersteld uit dienst zou gaan en de gemotiveerde (verdere) betwisting van werkgever dat werkneemster arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte, lag het op de weg van werkneemster om een deskundigenbericht als bedoeld in artikel 7:629a lid 1 BW over te leggen. Bij gebreke van een stelling van werkneemster die in een andere richting wijst, moet het ervoor worden gehouden dat dit in redelijkheid ook van haar kon worden gevergd. De (tweede) uitzondering van artikel 7:629a lid 2 BW is dan ook niet van toepassing.
