Rechtspraak
Feiten
(Vervolg op AR 2025-284) Twee werknemers (hierna: de vliegers) zijn in 1990 en 1991 als verkeersvlieger in dienst getreden van KLM. Zij hebben de Zwitserse nationaliteit. Omdat de vliegers in Zwitserland woonachtig en belastingplichtig waren, heeft de Belastingdienst in 1991 voor beiden een vrijstellingsverklaring afgegeven ter voorkoming van dubbele belasting. Met ingang van 1 januari 2012 is het belastingverdrag tussen Nederland en Zwitserland gewijzigd (hierna: de verdragswijziging). Op grond van de verdragswijziging heeft de Belastingdienst in 2017 en 2018 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting over de jaren vanaf 2012 aan de vliegers opgelegd (in totaal respectievelijk € 1,1 miljoen en € 600.000). KLM heeft (ook) in de jaren 2012-2017 geen loonbelasting ingehouden op de door haar aan de vliegers betaalde brutosalarissen. De vliegers vorderen (samengevat) dat KLM wordt veroordeeld tot (primair) betaling van de bedragen die zij op grond van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting aan de Belastingdienst moeten betalen over het door hen ontvangen loon, dan wel (subsidiair) tot vergoeding van de schade die zij hebben geleden als gevolg van de opgelegde of nog op te leggen navorderingsaanslagen inkomstenbelasting. De vliegers leggen aan deze vorderingen onder meer ten grondslag dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap, door hen niet tijdig te waarschuwen voor de gevolgen van de verdragswijziging en door ten onrechte vanaf 2012 geen loonbelasting op hun loon in te houden. De kantonrechter (zie AR 2023-0590) heeft voor recht verklaard dat KLM aansprakelijk is voor 50% van de door de vliegers geleden schade. Volgens de kantonrechter had KLM een zorgplicht jegens de vliegers om hen te waarschuwen voor de mogelijk grote financiële gevolgen van de verdragswijziging. Het gerechtshof (zie AR 2022-0661) heeft de vorderingen van de vliegers alsnog afgewezen. De Hoge Raad (zie AR 2023-1143) heeft onder meer overwogen dat een werkgever uit hoofde van goed werkgeverschap onder omstandigheden gehouden kan zijn de werknemer in kennis te stellen van een wijziging van regelgeving die voor diens fiscale positie van belang is. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en het geding naar het Hof Den Haag verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Dit hof heeft de vorderingen van de vliegers afgewezen, omdat de vliegers niet kunnen worden gevolgd in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM-inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. De vliegers kunnen zich er daarom niet met succes op beroepen dat KLM heeft gehandeld in strijd met de eisen van goed werkgeverschap. Het hof neemt daarbij voor zover nodig in aanmerking dat het van algemene bekendheid is dat in een situatie waarin de vliegers verkeerden, over het KLM-inkomen ergens (hetzij in Zwitserland hetzij in Nederland) belasting verschuldigd zou zijn. Hiertegen keren de vliegers zich in cassatie.
Conclusie A-G (De Bock)
De vliegers klagen onder meer dat onbegrijpelijk is dat het hof spreekt van een ‘feit van algemene bekendheid’. De A-G concludeert als volgt. Het hof komt tot het oordeel dat ‘onder deze omstandigheden’ de vliegers niet gevolgd kunnen worden in hun standpunt dat het hun niet bekend was dat hun KLM-inkomen in Nederland onderworpen was aan inkomstenbelasting. ‘De omstandigheden’ waarop het hof hier doelt, zijn dat uit de door KLM overgelegde uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant in fiscale zaken en de door de vliegers overgelegde ‘Steuererklärungen’ blijkt dat het standpunt van de vliegers dat zij in Zwitserland ook over het KLM-inkomen belasting hebben betaald, niet juist is; dat zij (juist) vrijstelling hebben genoten van belasting over hun KLM-inkomen en dat zij dat inkomen in Zwitserland hebben opgegeven bij ‘Auf steuerbare Einkünfte im Ausland’ oftewel als belastbaar in het buitenland. Het hof sluit hiermee aan bij het betoog van KLM in haar pleitnota na verwijzing. In die pleitnota heeft KLM onder meer aangevoerd dat uit de ‘Steuererklärungen’ blijkt dat het KLM-inkomen volgens vlieger 1 zelf in de jaren 2011 t/m 2014 gold als belastbaar inkomen in het buitenland en niet in Zwitserland, dat vlieger 1 was vrijgesteld in Zwitserland omdat hij over zijn KLM-inkomen in het buitenland belasting zou betalen, terwijl hij in Nederland ook was vrijgesteld en dat uit de aangifte 2011 van vlieger 1 in Zwitserland blijkt dat hij in 2012 wist, of er al rekening mee hield, dat hij in Nederland inkomstenbelasting moest betalen en dat KLM ervan uitgaat dat voor vlieger 2 hetzelfde geldt. De overwegingen van het hof zijn niet onbegrijpelijk en de daarin genoemde omstandigheden kunnen het oordeel van het hof zelfstandig dragen.
Oordeel
De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
