Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgever/werknemer
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 8 april 2026
ECLI:NL:RBNHO:2026:4202
Werkgever vordert € 291.492,45 aan schadevergoeding nadat werknemer in 2017 terecht op staande voet is ontslagen wegens verduistering, diefstal, oplichting en/of fraude. Vordering is verjaard; verjaring niet tijdig gestuit. Beroep op verjaring niet onaanvaardbaar.

Feiten

Werknemer was tot 2017 in dienst bij werkgever als projectleider. Medio juli 2017 zijn er onregelmatigheden gesignaleerd door werkgever waarbij werknemer betrokken is geweest. Dat heeft tot een nader onderzoek geleid door een recherchebureau. Op 12 december 2017 is het onderzoek beëindigd en zijn de bevindingen aan werkgever medegedeeld. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft werkgever werknemer op 13 december 2017 op staande voet ontslagen vanwege verduistering, diefstal, oplichting en/of fraude. Verder is werknemer in die brief aansprakelijk gesteld voor de in dat verband door werkgever geleden en te lijden schade. In een beschikking van 28 juni 2018 heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. Het hof heeft de beschikking van de kantonrechter op 2 mei 2023 bekrachtigd. Werkgever vordert in de onderhavige procedure een verklaring voor recht dat werknemer schadeplichtig is. Verder vordert hij veroordeling van werknemer tot betaling van € 291.492,45 aan schadevergoeding. Werkgever stelt samengevat dat na de beschikking van het hof vaststaat dat werknemer onrechtmatig heeft gehandeld jegens werkgever en de daardoor geleden schade moet vergoeden. Daarbij heeft werkgever gesteld dat werknemer materialen op rekening van werkgever heeft besteld en deze materialen, buiten medeweten van werkgever, aan derden heeft verkocht en de opbrengst daarvan in eigen zak heeft gestoken.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het beroep van werknemer op verjaring slaagt. De kantonrechter overweegt dat de verjaringstermijn op grond van artikel 3:310 lid 1 BW aanvangt op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. In dit geval is de verjaringstermijn aangevangen op 14 december 2017 (de dag volgend op het ontslag op staande voet) dan wel op 29 juni 2018 (de dag volgend op de beschikking van de kantonrechter). Er geldt een verjaringstermijn van vijf jaren, zodat de vordering in 2022 of 2023 is verjaard. Er is onvoldoende gesteld om te oordelen dat het beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daarnaast is de verjaring niet tijdig door werkgever gestuit. De kantonrechter komt tot de slotsom dat de vorderingen van werkgever zijn verjaard en wijst deze daarom af. De proceskosten komen voor rekening van werkgever.