Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 29 april 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:2681
Lasser weigert tijdens re-integratie laswerkzaamheden te verrichten. Werkgever zet zijn loon stop op grond van artikel 7:629 lid 3 sub c BW. Werknemer vordert betaling van loon, maar legt geen deskundigenverklaring over. Afwijzing loonvordering op grond van artikel 7:629a lid 1 BW.

Feiten

Werknemer (geboren in 1986) is met ingang van 24 juni 2019 voor 40 uur per week als lasser in dienst getreden bij werkgeefster. Sinds begin 2020 vervult werknemer de functie van lasser niveau D; dit is het hoogste niveau binnen die functie. Op 8 augustus 2022 heeft werknemer zich ziek gemeld. In de probleemanalyse van 22 augustus 2022 heeft de bedrijfsarts opgemerkt dat een werkgerelateerde factor (door werknemer ervaren hoge werkdruk) een rol speelt bij het ziekteverzuim. In de daaropvolgende periode is werknemer regelmatig gezien door de bedrijfsarts. De terugkoppelingen van de bedrijfsarts aan werkgeefster komen er telkens op neer dat werknemer niet in staat is zijn werkzaamheden te hervatten. In het rapport eerstejaarsevaluatie van 10 juli 2023 concludeert de bedrijfsarts dat werknemer in staat is te starten met werkhervatting in aangepast (eigen) werk. Werknemer heeft vervolgens hervat in aangepaste werkzaamheden. Op 30 oktober 2023 heeft de bedrijfsarts aan werkgeefster teruggekoppeld dat de beperkingen in enige mate zijn toegenomen en dat daarbij een werkgerelateerde factor een rol speelt, namelijk een verschil van inzicht over de invulling van de functie van lasser D. Op 2 november 2023 heeft werkgeefster aan werknemer laten weten dat een lasser van zijn niveau ‘ook veel moet lassen’ en dat hij daarom als onderdeel van zijn re-integratie in de werkplaats zonder tempo, druk en deadlines, rekening houdend met zijn beperkingen ook weer moet gaan lassen. Op 9 november 2023 heeft werknemer re-integratiewerkzaamheden voor werkgeefster verricht. Hij heeft toen geweigerd laswerkzaamheden te verrichten. Werkgeefster heeft per diezelfde datum de loonbetaling stopgezet. Na verkregen toestemming van het UWV heeft werkgeefster de arbeidsovereenkomst met werknemer opgezegd per 4 december 2024. Werknemer vordert veroordeling van werkgeefster tot onder meer betaling van loon over de periode 15 november 2023 tot en met 4 december 2024.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Het heeft er weliswaar alle schijn van dat het aangeboden laswerk moet worden aangemerkt als passende arbeid voor werknemer, maar een oordeel daarover kan de kantonrechter echter niet geven. Werkgeefster heeft namelijk gelijk met haar verweer dat de loonvordering van werknemer hoe dan ook afgewezen moet worden op grond van artikel 7:629a lid 1 BW. Daarin is immers bepaald dat de rechter een vordering tot betaling van loon tijdens ziekte afwijst indien bij de eis niet een deskundigenverklaring is gevoegd omtrent de verhindering van de werknemer om de bedongen of andere passende arbeid te verrichten. Werknemer heeft een dergelijke verklaring niet overgelegd. Hij stelt in dat verband dat het overleggen van die verklaring in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd. De argumenten die hij daarvoor aanvoert, overtuigen echter niet. Zo stelt hij dat zijn dienstverband is beëindigd en op hem geen re-integratieverplichtingen meer rusten, waarmee volgens hem het nut en de functie aan een deskundigenoordeel is komen te ontvallen, namelijk zonder rechterlijke tussenkomst een oplossing bieden voor een conflict. Naar het oordeel van de kantonrechter valt niet in te zien waarom op grond hiervan van werknemer in redelijkheid niet verlangd kan worden een deskundigenoordeel van het UWV over te leggen. Het deskundigenbericht in deze vorm is juist bedoeld om in te brengen in een gerechtelijke procedure. De kantonrechter overweegt voorts dat het doel van het deskundigenbericht is een (onafhankelijk) oordeel over de vraag of werknemer met het laswerk passende arbeid aangeboden is. Niet valt in te zien waarom werknemer die vraag niet aan het UWV voorgelegd heeft. Uit het voorgaande volgt dat het door werknemer gevorderde loon moet worden afgewezen op grond van artikel 7:629a lid 1 BW.