Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/STICHTING CHRISTELIJK PRIMAIR ONDERWIJS BETUWE
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 12 mei 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:4003
Deelgeschil werkgeversaansprakelijkeid. Onvoldoende duidelijk of werkgever zorgplicht heeft geschonden.

Feiten

Werkneemster is sinds 4 januari 2021 werkzaam als leerkracht op een school van Stichting Christelijk Primair Onderwijs Betuwe (hierna: werkgeefster). Eerst werkte zij als leerkracht van groep 5 en later als remedial teacher. Werkneemster is gedeeltelijk gehandicapt als gevolg van kinderpolio. Haar linkerbeen en rechterbovenbeen zijn verlamd en zij loopt sinds haar jeugd met krukken. Op 2 september 2021, haar eerste werkdag na de zomervakantie, is werkneemster in de aula van de school ten val gekomen. Zij heeft haar werkzaamheden aanvankelijk voortgezet, maar maakte vanwege schouderklachten gebruik van een rolstoel in plaats van krukken. Op 26 oktober 2021 heeft zij zich ziekgemeld. Op 8 november 2021 is vastgesteld dat een pees in haar rechterarm was gescheurd, waarna zij alleen nog beperkt vanuit huis werkte. Werkneemster is op 7 januari 2022 geopereerd aan haar arm. Haar schouder is niet volledig hersteld en zij is blijvend afhankelijk van een rolstoel. Werkneemster heeft werkgeefster op 7 december 2021 aansprakelijk gesteld op grond van artikel 7:658 BW. Werkgeefster heeft aansprakelijkheid afgewezen. Collega’s van werkneemster hebben schriftelijk verklaard dat de vloer glad aanvoelde en dat werkneemster mogelijk daardoor is uitgegleden. In opdracht van de aansprakelijkheidsverzekeraar van werkgeefster heeft TechnoConsult in 2022 onderzoek gedaan naar de vloer. Volgens het rapport voldeed de vloer in droge omstandigheden aan de norm NEN 7909. Werkneemster heeft op 10 maart 2025 alsnog melding gedaan van het ongeval bij de Arbeidsinspectie. In het arbeidsdeskundig rapport van 17 juli 2025 is geconcludeerd dat werkneemster volledig arbeidsongeschikt is. Werkneemster verzoekt in deze deelgeschilprocedure een verklaring voor recht dat werkgeefster aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het arbeidsongeval. Daarnaast verzoekt zij veroordeling van de verzekeraar tot betaling onder de aansprakelijkheidsverzekering en vergoeding van de kosten van het deelgeschil.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter stelt voorop dat vaststaat dat werkneemster tijdens de uitoefening van haar werkzaamheden op school ten val is gekomen en daardoor schade heeft geleden. In beginsel is werkgeefster daarom aansprakelijk op grond van artikel 7:658 BW, tenzij zij aantoont dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter overweegt dat op werkgeefster een verzwaarde bewijslast rust. Daarbij is van belang dat werkgeefster heeft nagelaten het arbeidsongeval tijdig te melden bij de Arbeidsinspectie, terwijl zij gelet op de omstandigheden aanleiding had moeten zien dit wel te doen. Daarnaast geldt vanwege de lichamelijke beperking van werkneemster een verzwaarde zorgplicht. Tussen partijen bestaat echter discussie over de precieze toedracht van het ongeval. Niet kan worden vastgesteld dat werkneemster daadwerkelijk is uitgegleden door een te gladde vloer. De verklaringen van getuigen en de beschikbare stukken geven daarover onvoldoende duidelijkheid. Ook staat niet vast welke aanvullende maatregelen werkgeefster redelijkerwijs had moeten nemen om het ongeval te voorkomen. De kantonrechter oordeelt daarom dat nader bewijs en mogelijk deskundigenonderzoek noodzakelijk zijn om te kunnen beoordelen of werkgeefster haar zorgplicht heeft geschonden. Een dergelijk onderzoek past niet binnen het kader van een deelgeschilprocedure. De zaak leent zich volgens de kantonrechter beter voor behandeling in een bodemprocedure. Het verzoek van werkneemster wordt daarom afgewezen.