Rechtspraak
Feiten
In deze procedure verzoekt de Europese Commissie vast te stellen dat Italië door geen maatregelen te hebben vastgesteld ter voorkoming van misbruik van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd met betrekking tot het vervangend administratief, technisch en ondersteunend personeel (hierna: „ATO‑personeel”) van openbare onderwijsinstellingen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens clausule 5 van Richtlijn 1999/70/EG (Bepaaldetijdsrichtlijn). Meer in het bijzonder stelt de Commissie zich op het standpunt dat Italië geen beperkingen in duur en aantal opvolgende contracten heeft gewaarborgd (verplichtingen 5 sub b en sub c) en van een objectieve reden (sub a) evenmin sprake is. De aan het onderwijs inherente flexibiliteitsbehoefte vanwege fluctuerende studentenaantallen zou een objectieve reden kunnen zijn, aldus de Commissie, maar in de praktijk blijkt dat het aantal ATO-personeelsaanstellingen toeneemt, terwijl het aantal studenten daalt. Daarmee is van een werkelijke behoefte geen sprake. Italië stelt zich op het standpunt dat haar wervingsprocedure (na 24 maanden tijdelijke dienst mag worden gesolliciteerd op vacante vaste aanstellingen) in een objectieve reden voorziet.
Oordeel
Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt.
Onvoldoende maatregelen om misbruik van tijdelijke contracten voor administratief, technisch en ondersteunend personeel in het onderwijs te voorkomen
Het Hof stelt vast dat Italië geen maatregelen in de zin van sub b en sub c heeft getroffen, zodat moet worden beoordeeld of er sprake is van een objectieve reden (sub a).
In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het begrip „objectieve redenen” aldus moet worden opgevat dat het ziet op precieze en concrete omstandigheden die een bepaalde activiteit kenmerken en dus kunnen rechtvaardigen dat in die bijzondere context gebruik wordt gemaakt van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die omstandigheden kunnen met name voortvloeien uit de bijzondere aard van de taken waarvoor dergelijke overeenkomsten zijn gesloten en uit de inherente kenmerken ervan, of in voorkomend geval uit het nastreven van een rechtmatige doelstelling van sociaal beleid van een lidstaat (HvJ EU 26 november 2014, Mascolo e.a., gevoegde zaken C-22/13, C-61/13 t/m C-63/13 en C-418/13, ECLI:EU:C:2014:2401, punt 87 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Daarentegen zou een nationale bepaling die zich ertoe beperkt via een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling op algemene en abstracte wijze de mogelijkheid te creëren om gebruik te maken van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet voldoen aan de in het vorige punt van het onderhavige arrest omschreven vereisten. Uit een dergelijke louter formele bepaling kunnen immers geen objectieve en transparante criteria worden afgeleid om na te gaan of de vernieuwing van dergelijke overeenkomsten werkelijk aan een echte behoefte beantwoordt, geschikt is om de nagestreefde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk is. Een dergelijke bepaling brengt dus een reëel risico van misbruik van dit type overeenkomst met zich mee en is dan ook in strijd is met het doel en de nuttige werking van de raamovereenkomst (Mascolo e.a., C‑22/13, punt 88 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het Hof merkt op dat tijdelijke aanstellingen in afwachting van 'vergelijkend onderzoek' in beginsel een objectieve redenen kan en mag vormen, mits deze periode objectief, concreet en aan de hand van transparante criteria kan worden getoetst. De Italiaanse regeling maakt het mogelijk om overeenkomsten te verlengen om aan behoeften te voldoen die in werkelijkheid niet tijdelijk maar permanent zijn. Dit is in strijd met het doel van de richtlijn.
De aan het openbaar onderwijs eigen zijnde behoefte aan flexibiliteit is op zich een objectieve grond, maar moet dan wel in een werkelijke behoefte voorzien. Van een werkelijke behoeft lijkt in dit geval geen sprake te zijn.
Conclusie
Derhalve moet worden vastgesteld dat de betrokken nationale regelgeving geen van de in clausule 5, punt 1, onder a tot en met c van de raamovereenkomst opgenomen maatregelen bevat, noch gelijkwaardige wettelijke maatregelen in de zin van deze bepaling. Bijgevolg is het door de Commissie ingestelde beroep gegrond.
