Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Praktijk BCE en Natuurgeneeskunde B.V.
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Almere), 23 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:2164
Loonstop Praktijk BCE en Natuurgeneeskunde B.V. onterecht, geen waarschuwing vooraf gegeven, loonvordering werknemer toegewezen.

Feiten

Werknemer is per 1 juli 2024 in dienst getreden bij Praktijk BCE en Natuurgeneeskunde B.V. (hierna: BCE). Nadat werknemer zich had ziekgemeld, hebben partijen een re-integratie- en opbouwschema opgesteld. Zij spraken daarbij af dat werknemer in het kader van de re-integratie een handleiding zou opstellen voor het Quest-meetapparaat (hierna: Quest) van BCE en daarvan voortgangsrapportages zou aanleveren. Op
6 oktober 2025 heeft werknemer een handleiding voor Quest aan BCE verstrekt en op 7 november heeft hij een voorgangsrapportage aan BCE toegestuurd die gericht is op een ander apparaat (hierna: Metatron). BCE heeft vervolgens in een e-mail aan werknemer van 9 november 2025 medegedeeld dat zij het loon per 7 november 2025 stopzet. Als reden voor de loonstop gaf zij aan dat werknemer niet meewerkte aan zijn re-integratie, omdat hij geen documentatie zou hebben toegestuurd met betrekking tot de standaardgebruiksprocedure en instructies van de Quest. Op zitting heeft BCE verder toegelicht dat zij hiermee bedoelde dat de documentatie niet voldeed aan de vooraf door haar uitgesproken verwachtingen en dat zij werknemer geen toestemming had gegeven te werken aan de rapportages voor de Metatron. Werknemer heeft betwist dat hij niet de juiste werkzaamheden zou hebben verricht. Daarbij heeft werknemer aangevoerd dat ook in het geval dit wel zo zou zijn, dit geen grond vormt voor de conclusie dat hij niet meewerkt aan zijn re-integratie. 

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Werknemer heeft, daar hij lange tijd geen loon heeft gekregen, financiële problemen gekregen. Het spoedeisend belang is daardoor gegeven. De kantonrechter oordeelt dat het deskundigenrapport van het UWV van 10 februari 2026 van belang is, waarin de deskundige tot de conclusie komt dat de re-integratie-inspanningen van werknemer voldoende zijn. Dat dit oordeel van de deskundige niet juist zou zijn, zoals BCE gesteld heeft, heeft BCE niet aangetoond en blijkt verder nergens uit. Dit maakt ook dat, anders dan BCE kennelijk meent, er geen sprake is van het zonder deugdelijke grond niet verrichten van passende arbeid voor BCE. Er doet zich dus geen situatie voor waarin BCE het loon had kunnen stopzetten. Ook als er wel een grond zou zijn geweest, geldt nog dat BCE niet rechtsgeldig tot het stopzetten van het loon heeft kunnen overgaan. BCE heeft namelijk niet voldaan aan haar waarschuwingsplicht. Deze plicht komt erop neer dat een werkgever geen beroep meer kan doen op het stopzetten van het loon als hij de werknemer daarvan geen kennis heeft gegeven. Die waarschuwing moet plaatsvinden onverwijld nadat bij de werkgever het vermoeden is ontstaan dat er een grond is om het loon niet door te betalen. Het moet namelijk voor een werknemer heel duidelijk zijn waarom hij een loonstop opgelegd zal krijgen en wat hij kan doen om dat te voorkomen. Voldoet de werkgever niet aan deze voorwaarde, dan kan hij het loon niet stopzetten. BCE heeft een dergelijke waarschuwing niet schriftelijk vooraf gegeven. Op de zitting heeft BCE aangegeven dat werknemer in een gesprek wel is gewaarschuwd dat er een loonstop zou volgen als hij niet volgens afspraak aan de handleiding voor de Quest zou werken, maar werknemer betwist dat. Dat die waarschuwing mondeling is gegeven blijkt ook nergens uit. De conclusie is dat BCE de loonstop niet had mogen opleggen. BCE dient het loon vanaf 1 februari 2026 tot de einddatum van het dienstverband te voldoen. BCE is de wettelijke rente en wettelijke verhoging over het niet op tijd betaalde loon verschuldigd.  BCE wordt in de proceskosten veroordeeld.