Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Holland Wood B.V.
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 6 maart 2024
ECLI:NL:RBGEL:2024:1143
Welke cao-loongroep is van toepassing? Werknemer krijgt gelegenheid te bewijzen dat hij recht heeft op inschaling in loongroep 4 en dat hij in opdracht van werkgever overuren heeft verricht.

Feiten

Werknemer treedt op 24 maart 2014 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Holland Wood B.V. in de functie van productiemedewerker in loongroep 1. Werknemer is op 4 september 2000 uit dienst getreden bij Holland Wood en op 12 oktober 2020 weer in dienst getreden, nu in de functie van algemeen medewerker tegen een uurloon van € 10 netto (inclusief afrekening vakantiedagen en vakantiegeld). De algemeen verbindend verklaarde cao’s voor houtverwerkende industrie (hierna: cao) zijn van toepassing. Op grond van de cao dient de werknemer, rekening houdend met zijn te verrichten werkzaamheden en zijn bekwaamheid daarvoor, door de werkgever te worden ingedeeld in een van de vijf loongroepen. Op 24 april 2022 is werknemer uit dienst getreden. Werknemer vordert veroordeling van Holland Wood tot betaling van een bedrag van € 73.127,30. Hij legt aan zijn vordering ten grondslag dat Holland Wood in de periode van 2018 tot en met 24 april 2022 structureel te weinig loon/vergoedingen heeft uitbetaald, omdat zij dit niet conform de van toepassing zijnde cao heeft gedaan.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Ter beoordeling ligt voor in welke loongroep werknemer had moeten worden verloond. Werknemer heeft gesteld dat hij vanaf 2018 in loongroep 4 valt. De feitelijke werkzaamheden hebben bestaan uit het zelfstandig bedienen van productielijnen. Ook moest hij regelmatig bijspringen omdat hij alles kon, aldus werknemer. Holland Wood heeft de gestelde werkzaamheden van werknemer betwist. Loongroep 4 is enkel voor voormannen die leidinggeven en dat heeft werknemer niet gedaan. Werknemer was in 2018 terecht nog in loongroep 1 ingedeeld. Wel had werknemer, toen hij op 12 oktober 2020 weer in dienst trad, moeten worden ingedeeld in loongroep 3 en dat is ten onrechte niet gebeurd, aldus Holland Wood. De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 150 Rv de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde feiten, de bewijslast daarvan draagt. Werknemer heeft aangegeven bewijs te willen leveren van zijn stelling. De kantonrechter stelt hem daartoe in de gelegenheid. Ook draagt de kantonrechter werknemer op te bewijzen dat hij de overuren heeft gemaakt zoals hij heeft gevorderd en in wiens opdracht hij die uren heeft verricht. De zaak wordt verwezen naar de rol en iedere verdere beslissing wordt aangehouden.