Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 22 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:2151
Feiten
Werknemer is per 1 februari 2008 in dienst getreden bij werkgever. Werknemer verzoekt vernietiging van het op 16 december 2025 verleende ontslag op staande voet. Subsidiair verzoekt werknemer een gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding. Werkgever verzet zich tegen het verzoek tot vernietiging en heeft een zelfstandig tegenverzoek ingediend. Partijen zijn het erover eens dat er sprake is van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding en dat werkgever het ontslag op staande voet zal intrekken als de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt vanwege een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De kantonrechter beschouwt de verzoeken van werknemer als ingetrokken, nu partijen hebben afgesproken dat werkgever het ontslag zal intrekken en partijen instemming hebben bereikt over de te betalen vergoedingen. Daar partijen het eens zijn over de verstoorde arbeidshouding en dat herplaatsing niet mogelijk is, alsmede het feit dat er geen sprake is van een opzegverbod, maakt dat er een redelijke grond voor ontbinding is. Omdat het verzoek tot ontbinding wordt ingewilligd, moet het einde van de arbeidsovereenkomst worden bepaald. Er is geen wettelijk bezwaar tegen de door partijen overeengekomen datum. De transitievergoeding, waar partijen overeenstemming over hebben bereikt, wordt toegewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.
