Naar boven ↑

Rechtspraak

Het Kuikentje Facilitair B.V./werkneemster
Rechtbank Gelderland (Locatie Arnhem), 18 maart 2026
ECLI:NL:RBGEL:2026:2814
Werkneemster heeft arbeidsovereenkomst opgezegd met inachtneming van juiste opzegtermijn van vier dagen. Partijen hebben alleen minimale maandelijkse arbeidsduur afgesproken, waarmee omvang arbeid onvoldoende is bepaald. Oproepovereenkomst. Terecht beroep op artikel 7:672 lid 5 BW.

Feiten

Werkneemster treedt op 5 februari 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 mei 2024 in dienst van Het Kuikentje Facilitair B.V. (hierna: Het Kuikentje) in de functie van groepshulp. Op de overeenkomst is de cao Kinderopvang van toepassing. In artikel 3.7 lid 4 staat een tussentijds opzegbeding opgenomen met een opzegtermijn van twee maanden. De eerste overeenkomst wordt verlengd tot 1 januari 2025. Daarna wordt de overeenkomst verlengd tot 1 januari 2026. Deze overeenkomst is een oproepovereenkomst. Met ingang van 1 september 2025 heeft werkneemster een minimale arbeidsduur van 91 uur per maand. Op 30 september 2025 heeft werkneemster aan Het Kuikentje gevraagd haar een werkgeversverklaring te verstrekken in het kader van een hypotheekaanvraag. De werkgeversverklaring is door Het Kuikentje verstrekt, maar daarop is aangegeven dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden verlengd. Het Kuikentje licht per e-mail toe dat zij hierover nog geen beslissing heeft genomen en daarover geen toezeggingen wil doen. Werkneemster zegt de arbeidsovereenkomst op 9 oktober 2025 mondeling op. Zij bevestigt dit bij e-mail van 10 oktober 2025 en stelt zich op het standpunt dat zij een opzegtermijn heeft van vier dagen. Op de eindafrekening heeft Het Kuikentje een bedrag van € 2.154,65 in mindering gebracht, omdat werkneemster volgens haar niet de juiste opzegtermijn heeft gehanteerd. Het Kuikentje verzoekt een verklaring voor recht dat werkneemster de arbeidsovereenkomst onregelmatig heeft opgezegd, dat zij een vergoeding aan Het Kuikentje verschuldigd is van € 4.343,35 en veroordeling van werkneemster tot betaling aan Het Kuikentje van het nog openstaande bedrag van € 2.188,70.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. De vraag die partijen verdeeld houdt, is welke opzegtermijn werkneemster had moeten hanteren. Het Kuikentje stelt dat werkneemster de arbeidsovereenkomst op grond van de toepasselijke cao tussentijds had kunnen opzeggen met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden tegen 1 januari 2026. Werkneemster voert aan dat zij als oproepkracht werkte en dus een opzegtermijn had van vier dagen. De kantonrechter oordeelt dat werkneemster terecht een beroep doet op artikel 7:672 lid 5 BW. Partijen hebben slechts een minimale maandelijkse arbeidsduur afgesproken, maar geen maximale. De omvang van de arbeid is daarom onvoldoende bepaald. Daarmee is het oproepkarakter van de overeenkomst niet komen te vervallen. In de arbeidsovereenkomst of cao is verder ook geen opzegbeding voor oproepovereenkomsten opgenomen. Werkneemster is dus terecht uitgegaan van een opzegtermijn van vier dagen en heeft op 9 oktober 2025 haar arbeidsovereenkomst mogen opzeggen tegen 13 oktober 2025. De verzoeken van Het Kuikentje zijn daarom niet toewijsbaar en worden afgewezen. Het Kuikentje wordt veroordeeld het op de eindafrekening ingehouden bedrag van € 2.154,65 aan werkneemster te betalen.