Naar boven ↑

Rechtspraak

Tijdelijke Ondernemingsraad van de Dienst Identificatie en Screening Asielzoekers/Staat der Nederlanden
Gerechtshof Amsterdam (Locatie Amsterdam), 28 april 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1105
Afbouw en uitblijven DISA-personeelsovergang naar IND niet adviesplichtig, omdat DISA slechts tijdelijk was opgericht voor asielzoekersscreening tot aan de invoering van het Europese Asiel- en Migratiepact.

Feiten

DISA is opgericht als tijdelijke taakorganisatie binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid om van 1 januari 2025 tot 12 juni 2026 de identificatie, registratie en screening van asielzoekers uit te voeren. Vanaf 12 juni 2026 treedt het Europese Asiel- en Migratiepact in werking en zou de IND deze taken overnemen. De Tijdelijke Ondernemingsraad van DISA (TOR) maakte zich vanaf september 2025 zorgen over de positie van de DISA-medewerkers, omdat signalen bestonden dat de IND wel taken zou overnemen, maar niet de medewerkers. Om te bepalen of medewerkers van DISA naar de IND zouden kunnen overgaan, zijn functiebeelden en rapporten opgesteld over de DISA-functies en de beoogde functies binnen de nieuwe IND-afdeling OVA. O&P Rijk concludeerde uiteindelijk dat de onderzochte DISA-functies niet of niet volledig vergelijkbaar waren met de OVA-functies. Op basis daarvan besloot de waarnemend eigenaar op 6 maart 2026 dat de reorganisaties van DISA en de IND gescheiden trajecten zijn, dat geen sprake is van gezamenlijk reorganisatiebereik en dat er daarom geen overgang van DISA-medewerkers naar de IND plaatsvindt. DISA zou per 12 juni 2026 worden afgebouwd. De TOR stelde dat hij voorafgaand aan dit besluit advies had moeten kunnen uitbrengen over de volledige reorganisatie en de personele gevolgen daarvan, waaronder de functievergelijking, de inrichting van OVA en de vraag of medewerkers op grond van het uitgangspunt “mens volgt werk” naar de IND zouden moeten overgaan. De TOR verzocht de Ondernemingskamer onder meer te verklaren dat DISA niet in redelijkheid tot de besluitvorming had kunnen komen, DISA te verplichten het besluit in te trekken, verdere uitvoering te verbieden en voorlopige voorzieningen te treffen om reeds genomen uitvoeringshandelingen ongedaan te maken of te schorsen. DISA voerde verweer en stelde dat het besluit niet adviesplichtig was. Volgens DISA viel het besluit onder het primaat van de politiek, omdat het ging om de publiekrechtelijke vaststelling en verdeling van taken tussen onderdelen van de overheid. De personele gevolgen waren volgens DISA slechts inherent aan die taakverdeling en maakten het besluit daarom niet alsnog adviesplichtig.

Oordeel

De Ondernemingskamer volgt DISA. Zij oordeelt dat het besluit van 6 maart 2026 ziet op de publiekrechtelijke vaststelling van taken van DISA en de IND en op het beleid ten aanzien van de uitvoering daarvan. Daarmee valt het besluit onder het primaat van de politiek. Besluiten die onder dit primaat vallen, zijn uitgezonderd van het overleg-, advies- en beroepsrecht van de ondernemingsraad. Dat het besluit ingrijpende personele gevolgen heeft voor de medewerkers van DISA maakt dit niet anders, omdat die gevolgen inherent zijn aan het besluit om de taken van DISA te beëindigen en de reorganisaties van DISA en IND als gescheiden trajecten te behandelen. Omdat het besluit niet adviesplichtig was, kan het ook niet als kennelijk onredelijk worden aangemerkt wegens het ontbreken van voorafgaand advies van de TOR. De TOR heeft daarom geen beroepsrecht op grond van de WOR en er is geen ruimte voor de gevraagde voorlopige voorzieningen. De verzoeken van de TOR worden afgewezen. Ten overvloede merkt de Ondernemingskamer wel op dat de besluitvorming en communicatie richting de TOR zeer onzorgvuldig zijn verlopen. De TOR is volgens de Ondernemingskamer feitelijk van het kastje naar de muur gestuurd, terwijl vanaf het begin duidelijk was dat DISA tijdelijk was en dat de overgang van taken naar de IND aanzienlijke personele gevolgen kon hebben. Ook had eerder duidelijkheid moeten worden gegeven over de inhoud en omvang van de medezeggenschapsrechten van de TOR. Die onzorgvuldigheid leidt echter, vanwege het primaat van de politiek, niet tot een ander juridisch oordeel.