Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 21 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:4171
Werkneemster die tijdens haar shift naar huis is gegaan heeft recht op (achterstallig) loon, nu zij had aangegeven vanwege haar gezondheid niet te kunnen werken. Opzegging van de arbeidsovereenkomst door werkneemster niet vast komen te staan.

Feiten

Werkneemster werkt sinds 1 augustus 2015 in de bediening bij werkgeefster, een bar en loungecafé. Eind 2022 heeft bij werkgeefster een incident met een klant plaatsgevonden waarbij werkneemster haar telefoon heeft moeten afgeven aan een beveiliger van die klant. Hierdoor heeft werkneemster - naar eigen zeggen - een cursus opnieuw moeten aanschaffen. Op 5 juli 2025 is werkneemster tijdens haar shift naar huis gegaan. Zij heeft daarna geen werkzaamheden meer voor werkgeefster verricht. In de periode van juli tot en met september 2025 wisselen werkneemster en de eigenaar van werkgeefster een aantal Whatsapp-berichten met elkaar. In deze berichten geeft werkneemster aan dat zij ‘vermoeid’ en ‘zwak’ is. In onderhavige procedure vordert werkneemster betaling van achterstallig loon vanaf 6 juli 2025 vermeerderd met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. Volgens werkneemster heeft werkgeefster haar loon tijdens ziekte niet doorbetaald en heeft werkgeefster geen bedrijfsarts ingeschakeld, terwijl dit wel had gemoeten. Ook vordert werkneemster een schadevergoeding van € 3.630 in verband met het opnieuw moeten aanschaffen van de cursus.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt als volgt. Partijen verschillen van mening over de vraag wat er op 5 juli 2025 is gebeurd. Werkneemster stelt zich op het standpunt dat zij zich op deze datum (mondeling) heeft ziekgemeld. Werkgeefster betwist dit en voert aan dat werkneemster de arbeidsovereenkomst (mondeling) heeft opgezegd. Volgens vaste rechtspraak geldt dat voor de opzegging door een werknemer is vereist een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. Een dergelijke ondubbelzinnige verklaring ontbreekt in dit geval. Wat wel aanwezig is, is de overgelegde Whatsapp-correspondentie tussen werkneemster en de eigenaar van werkgeefster waaruit volgt dat werkneemster heeft aangegeven dat zij vanwege haar gezondheid niet in staat was om te werken. De kantonrechter acht derhalve voldoende aannemelijk dat werkneemster haar werkzaamheden wegens ziekte niet heeft kunnen verrichten. Werkneemster heeft tijdens ziekte recht op doorbetaling van haar loon. Werkneemster stelt dat voor de loonbetaling moet worden uitgegaan van een arbeidsomvang van 32 uur per week en een uurloon van € 16 bruto. Zij stelt dat zij deze uren feitelijk heeft gewerkt; het aantal gewerkte uren dat op haar loonstroken staat (te weten 5 uur per week), klopt niet. Het loon werd contant (zwart) uitbetaald en komt dan ook niet overeen met de loonstroken. Ter onderbouwing heeft werkneemster de wekelijkse roosters over de periode januari tot en met maart 2025 overgelegd. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de feitelijke arbeidsomvang van werkneemster 32 uur per week was en niet 5 uur per week zoals vermeld op haar loonstroken. Derhalve wijst de kantonrechter de loonvordering van werkneemster toe. Gezien de omstandigheden van deze zaak ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot 20%. Verder is vast komen te staan dat werkgeefster nog geen bedrijfsarts heeft ingeschakeld, terwijl zij daartoe op grond van de Wet verbetering poortwachter wel verplicht is. Werkgeefster zal daarom ook worden veroordeeld om een bedrijfsarts in te schakelen. Anders dan werkneemster ziet de kantonrechter geen aanleiding om aan deze veroordeling een dwangsom te verbinden. Tot slot wijst de kantonrechter de gevorderde schadevergoeding van werkneemster in verband met het opnieuw aanschaffen van een cursus af, omdat werkneemster deze vordering onvoldoende heeft onderbouwd.