Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Utrecht), 1 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1479
Feiten
Werknemer is op 5 december 2024 bij werkgeefster in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die zou eindigen op 5 februari 2026. Tijdens het dienstverband heeft werkgeefster meerdere keren kritiek geuit op het functioneren en gedrag van werknemer, waaronder zijn houding, te laat komen, kwaliteit van werkzaamheden, ziekmeldingen, bereikbaarheid tijdens ziekte en contact met collega’s. Op 30 juli 2025 ontving werknemer een eerste officiële waarschuwing wegens herhaald te laat komen. In die waarschuwing stond dat verdere overtredingen konden leiden tot strengere maatregelen, waaronder schorsing of beëindiging van het dienstverband. Op 4 september 2025 volgde een tweede officiële waarschuwing, omdat werknemer tijdens ziekte niet bereikbaar was. Daarbij kondigde werkgeefster loonopschorting aan. Op 25 september 2025 is werknemer op staande voet ontslagen. Volgens werkgeefster had werknemer die dag om 07.00 uur moeten beginnen, maar verscheen hij niet op het werk en meldde hij zich niet af. Pas om 09.45 uur nam hij contact op met HR. Volgens werkgeefster wilde hij aanvankelijk een ziekmelding doen en vroeg hij daarna verlof aan, terwijl hij ten onrechte zou hebben gezegd dat hij collega’s tijdig had geïnformeerd. Werkgeefster kwalificeerde dit als werkweigering, mede tegen de achtergrond van eerdere gesprekken en waarschuwingen. Werknemer verzocht de kantonrechter om vernietiging van het ontslag op staande voet, doorbetaling van loon tot 5 februari 2026 met wettelijke verhoging, betaling van de aanzegvergoeding, de transitievergoeding en een correcte eindafrekening. Hij stelde dat een dringende reden ontbrak. Volgens hem had hij zich verslapen na een emotionele avond in verband met de crematie van zijn hond en had hij voorgesteld vrije uren op te nemen. Werkgeefster voerde aan dat het ontslag rechtsgeldig was, omdat werknemer ondanks eerdere waarschuwingen opnieuw zonder bericht niet op tijd op het werk was verschenen.
Oordeel
De kantonrechter stelt vast dat de onverwijldheid van het ontslag en de mededeling van de dringende reden niet ter discussie stonden. Volgens de kantonrechter moet de ontslagbrief zo worden gelezen dat de werkweigering op 25 september 2025 op zichzelf als dringende reden is aangemerkt, waarbij de eerdere waarschuwingen en gesprekken de context vormden. Het ging dus niet om een samengestelde dringende reden bestaande uit alle eerder genoemde verbeterpunten tezamen. De kantonrechter acht van belang dat werknemer al op 30 juli 2025 schriftelijk was gewaarschuwd voor herhaald te laat komen en dat hij tegen die waarschuwing nooit bezwaar had gemaakt. Daarom wordt uitgegaan van de juistheid daarvan. Werknemer wist dus dat hij zich geen nieuwe overtreding op dit punt kon veroorloven. Vast staat dat hij op 25 september 2025 niet om 07.00 uur is verschenen en zich niet tijdig heeft afgemeld. Dat was belastend voor collega’s, die zijn afwezigheid moesten opvangen. De door werknemer gegeven verklaring, namelijk de crematie van zijn hond de dag ervoor, rechtvaardigt volgens de kantonrechter zijn handelwijze niet. Ook onder die omstandigheden had hij ervoor moeten zorgen dat hij op tijd op het werk was of zich tijdig had gemeld. Bovendien is niet gebleken dat werkgeefster vóór de procedure van deze omstandigheid op de hoogte was. Van onvoldoende hoor en wederhoor was evenmin sprake, omdat partijen zowel vóór als na het ontslag telefonisch contact hebben gehad. De kantonrechter concludeert dat werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zijn verplichting om zich als goed werknemer te gedragen ernstig heeft geschonden. Gelet op de eerdere waarschuwing leverde zijn gedrag op 25 september 2025 een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Het ontslag blijft daarom in stand.
