Rechtspraak
Rechtbank Midden-Nederland (Locatie Lelystad), 8 april 2026
ECLI:NL:RBMNE:2026:1652
Feiten
De procedure blijkt uit het tussenvonnis van 12 november 2025 en de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarbij werknemer is verschenen met zijn gemachtigde en namens werkgever twee juristen. In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 10.2 opgenomen dat werkgever desgevraagd positieve referenties zal verstrekken over het functioneren van werknemer gedurende zijn arbeidsovereenkomst. Werknemer heeft na zijn uitdiensttreding bij werkgever gesolliciteerd bij de Provincie Overijssel en werkgever verzocht als referent op te treden. Namens werkgever is een referentie verstrekt, waarna werknemer is afgewezen voor de functie, terwijl het arbeidsvoorwaardengesprek al was afgerond. Het geschil ziet op de vraag of werkgever in strijd met artikel 10.2 van de vaststellingsovereenkomst heeft gehandeld en of werknemer door de referentie de baan bij de Provincie Overijssel is misgelopen, waardoor werkgever aansprakelijk is voor de schade. Werknemer vordert schadevergoeding, op te maken bij staat, en daarnaast dat werkgever een contactpersoon aanwijst voor toekomstige referenties. Werkgever betwist dat hij gehouden was na uitdiensttreding positieve referenties te verstrekken, dat de gegeven referentie niet positief was en dat er causaal verband bestaat tussen de referentie en de afwijzing.
Oordeel
De kantonrechter oordeelt als volgt. De uitleg van artikel 10.2 moet plaatsvinden aan de hand van het Haviltex-criterium. Daarbij is van belang dat de bepaling door werkgever is opgesteld en op verzoek van werknemer is opgenomen. De kantonrechter volgt werkgever niet in zijn standpunt dat de verplichting beperkt was tot de duur van het dienstverband, omdat dit niet uit de formulering blijkt en werknemer deze bepaling redelijkerwijs zo mocht begrijpen dat ook na uitdiensttreding positieve referenties zouden worden verstrekt. De onduidelijkheid komt voor rekening van werkgever als opsteller. Werkgever had het bovendien moeten aangeven indien hij niet langer een positieve referentie wilde geven. De kantonrechter oordeelt dat de afgegeven referentie niet als positief kan worden gekwalificeerd, nu is verklaard dat werknemer niet proactief en zelfstandig genoeg is en veel begeleiding nodig heeft. Dat dit negatieve uitlatingen zijn, behoeft geen nadere toelichting. Het verweer dat ruimte bestaat voor verbeterpunten wordt verworpen, omdat de essentie van artikel 10.2 is dat positieve referenties worden verstrekt. Werkgever heeft daarmee in strijd met de overeenkomst gehandeld. Ten aanzien van het causaal verband stelt de kantonrechter vast dat de sollicitatieprocedure al was afgerond en dat alleen nog een referentie werd ingewonnen. Direct na de referentie is werknemer afgewezen en uit de verklaring van de Provincie blijkt dat deze referentie doorslaggevend was. Daarmee is het causaal verband gegeven. De mogelijkheid van schade is aannemelijk, omdat werknemer de baan is misgelopen en daardoor inkomensverlies lijdt, zodat verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt toegewezen. De vordering tot aanwijzing van een vaste contactpersoon wordt afgewezen, omdat deze verplichting niet uit de overeenkomst volgt en te verstrekkend is. Werkgever wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.
