Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 15 april 2026
ECLI:NL:RBLIM:2026:3505
Na wijziging van eis vordert werknemer veroordeling van werkgever tot betaling van buitengerechtelijke kosten, wettelijke verhoging en proceskosten.

Feiten

Werknemer is op 17 maart 2014 in dienst getreden in de functie van commercieel directeur. De arbeidsovereenkomst bevat een bepaling met betrekking tot de toekenning van een bonus, waarbij is aangegeven dat werkgever een discretionaire bevoegdheid heeft. Werknemer heeft in april 2022, april 2023 en april 2024 over de daaraan voorafgaande periode een prestatiebonus van 18% van zijn brutojaarsalaris ontvangen. De bedrijfsresultaten over 2024 hebben ertoe geleid dat werkgever heeft besloten om geen volledige bonus aan zijn werknemers uit te keren. De bonus over 2024 is vastgesteld op 9% van het brutojaarsalaris. Bij e-mail van 28 april 2025 heeft werkgever aan zijn werknemers bericht dat zij in aanmerking komen voor maximaal 50% van het maximale bonuspercentage. Werknemer heeft dit bericht niet gezien. Werknemer heeft zich op 29 mei 2024 ziekgemeld en is nog steeds arbeidsongeschikt. Werkgever was in eerste instantie niet bereid om de bonus over 2024 aan werknemer uit te keren, omdat hij in 2024 geen bijdrage had geleverd aan de bedrijfsresultaten. In mei respectievelijk juli en november 2025 heeft werkgever betalingen gedaan en daarmee voldaan aan de verplichtingen tot betaling van de prestatiebonus inclusief rente. Werknemer vordert betaling van (i) de buitengerechtelijke kosten, (ii) de kosten van deze procedure en (iii) de wettelijke verhoging van 50%.

Oordeel

Vast staat dat werkgever de bonus van € 12.115,95 heeft uitgekeerd. Na wijziging van eis vordert werknemer thans enkel nog een veroordeling van werkgever tot betaling van buitengerechtelijke kosten, wettelijke verhoging en proceskosten. Werknemer heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Deze werkzaamheden waren kennelijk nodig voor werkgever om tot betaling over te gaan. Werknemer heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De kantonrechter ziet gelet op de omstandigheden van het geval aanleiding om tot matiging tot nihil van de wettelijke verhoging over te gaan. Het gaat hier niet om uitkering van het reguliere (maandelijks uit te betalen) loon, maar om een fors bonusbedrag dat jaarlijks wordt uitbetaald. Ook acht de kantonrechter relevant dat de wettelijke (vertragings)rente over de bonus op eigen initiatief van werkgever reeds met de betaling van het laatste deel van de bonus is uitgekeerd. De proceskosten worden gecompenseerd.